Druk verkiezingsjaar op komst in Latijns Amerika; Democratie, onder voorbehoud

MEXICO-STAD, 28 DEC. Voor politici, opiniepeilers, fabrikanten van onuitwisbare inkt en correspondenten is in Latijns Amerika een druk seizoen begonnen. In meer dan de helft van de landen op het continent worden verkiezingen gehouden voor het presidentschap, de parlementen en lokale besturen. Hoewel elk land zijn eigen omstandigheden en eigenaardigheden kent, hebben de verkiezingen van '93/'94 een grootste gemene deler: de bestendiging van de fragiele democratie die aan het eind van het vorige decennium in Latijns Amerika vrij algemeen haar intrede heeft gedaan.

Politieke trends lijken moeilijk te ontdekken, of het zou het populisme moeten zijn. Ontegenzeggelijk vallen de staatshoofden van Argentinië, Carlos Saúl Menem, en Peru, Alberto Fujimori, in die categorie. Beiden hebben onlangs weten te bewerkstelligen dat de grondwet in hun respectieve landen zodanig werd veranderd dat herverkiezing van een zittende president mogelijk wordt. Menem wil zijn economische hervormingsproject afronden. Fujimori heeft zijn landgenoten vrede in 1995 beloofd, maar dat kan wel iets langer duren. Want ook na de aanhouding van Lichtend Pad-leider Abimael Guzman blijft Fujimori worstelen met deze maoïstische guerrillabeweging. De Peruanen zijn nog niet aan de beurt, komend jaar. De Argentijnen kiezen waarschijnlijk in de eerste helft van 1994 een grondwetgevende vergadering.

In Mexico worden elke zes jaar presidentsverkiezingen gehouden en de afgelopen tien keer zijn die gewonnen door de Institutionele Revolutionaire Partij (PRI) die ook ditmaal vermoedelijk haar kandidaat bevestigd zal zien in het hoogste ambt. De uitdaging voor PRI-kandidaat en gedoodverfde winnaar Lus Donaldo Colosio zal zijn om de politieke cultuur in zijn land opener en democratischer te maken. Nu al heeft Colosio - die sinds zijn aanwijzing als kandidaat de huidige president, Salinas, publicitair al volledig heeft overschaduwd - toegezegd dat de PRI zal winnen “zonder ook maar één stem die buiten de wet valt”. Oftewel: Mexico zal op 21 augustus 1994 voor het eerst in de postrevolutionaire geschiedenis eerlijke verkiezingen meemaken. Eerst zien, dan geloven, zeggen de sceptici in Mexico, grofweg zo'n 99 procent van de bevolking.

Terwijl in Mexico de stabiliteit van het land in elk geval tegelijk met een PRI-overwinning is gegarandeerd, sleept een hoogst instabiel Brazilië zich moeizaam naar de verkiezingen op 15 november 1994. De zittende president, Itamar Franco, zal in elk geval dolblij zijn als hij wordt verlost van de ondankbare klus waaraan hij tegen wil en dank begon nadat president Fernando Collor de Mello het veld moest ruimen wegens corruptie. De meest kansrijke kandidaat in Brazilië is momenteel de voormalige vakbondsleider Lus Inácio "Lula' da Silva van de Arbeiderspartij (PT), alom beschouwd als de minst corrupte van de Braziliaanse politici. Wanneer Lula er inderdaad in slaagt de kiezers te overtuigen, kunnen het machtige zakenleven en de strijdkrachten die zich door Lula bedreigd voelen echter alsnog een spaak in het wiel steken.

In drie Middenamerikaanse landen zal de komende vijf maanden worden gestemd. Costa Rica bijt het spits af op 6 februari, waarbij José Mará Figueres van de Partij van Nationale Bevrijding (PLN) een grote kanshebber is op het presidentschap. Hij zou dan in de voetsporen treden van zijn beroemde en vereerde vader, Don Pepe, de grondlegger van de moderne, legerloze en nu in crisis verkerende Costa-Ricaanse verzorgingsstaat. Maar Figueres junior heeft nog wel even een akkefietje op te knappen met de justitie, die wil weten hoe het nu zit met de moord op een marihuana-dealer in 1973 waarvan Figueres onlangs in een boek is beschuldigd.

Ook El Salvador gaat, na ruim een decennium van burgeroorlog, naar de stembus, op 20 maart. De voormalige guerrillabeweging FMLN maakt haar debuut als politieke partij, maar het ziet er nu naar uit dat de Salvadoraanse kiezers opnieuw de voorkeur zullen geven aan de kandidaat van de extreem-rechtse Arena-partij, Armando Calderón Sol. Intussen wordt een toenemend aantal voormalige FMLN-commandanten het slachtoffer van moordaanslagen, die, aldus de huidige president Cristiani, niets met politiek van doen hebben, maar door internationale waarnemers worden toegeschreven aan een revival van de doodseskaders.

Na de Amerikaanse invasie van december 1989 die Panama bevrijdde van drugs-generaal Noriega is de teleurstelling over de aanhoudende corruptie en het uitblijven van economisch herstel groot. De proteststem lijkt op 1 mei te zullen gaan naar de populairste onder de populisten: salsa-muzikant en filmacteur Rubén Blades, die onlangs zijn kandidatuur heeft aangekondigd namens de partij Papá Egoró - wat zoiets als Moeder Aarde betekent - en die de arme bevolking vooral soelaas in haar portemonnee heeft beloofd. Wat de uitslag ook moge zijn, in Panama zal de campagne in elk geval swingen.

Buurland Colombia zal op 8 mei een opvolger kiezen voor president César Gaviria, die aan het einde van zijn moeizaam verlopen ambtstermijn in de dood van drugsbaron Pablo Escobar in elk geval nog een forse opsteker heeft. Maar aan het endemische geweld - drugs en terrorisme - is in Colombia nog lang geen einde gekomen. De belangrijkste drie kandidaten voor het presidentschap - Ernesto Samper van de regerende Liberalen, Andrés Pastrana van de conservatieve NFD en oud-verzetsstrijder Antonio Navarro Wolf van de tot partij omgevormde guerrillabeweging M-19 (ADM-19) - hebben dat aan den lijve ondervonden. Voor Colombiaanse presidentskandidaten lijkt de vraag niet zozeer of ze zullen winnen, alswel of ze de stembusdag levend zullen halen. Met alle voorbehoud die de grillige samenlevingen in Latijns Amerika vereisen, kan in elk geval worden gesteld dat de eerste drie van de lange reeks verkiezingen in '93/'94 een onmiskenbare bevestiging van de democratie hebben laten zien. Op 28 november koos Honduras in alle rust en vrede zijn nieuwe president: Carlos Roberto Reina van de oppositionele Liberale Partij (PL). Een week later maakte Venezuela bij de stembus een eind aan een langdurige periode van onzekerheid, instabiliteit en couppogingen door oud-president Rafael Caldera als het nieuwe staatshoofd te kiezen. Weer een week later bevestigde Chili zijn langverwachte keuze voor christen-democraat Eduardo Frei als president. In alle drie landen speelde het leger in het verleden een dominante rol in de politiek; in alle drie landen bleven de militairen nu langs de zijlijn staan of zorgden ervoor dat het stembusproces ordelijk verliep.

Opmerkelijk is verder dat in vier landen de kandidaten voor het presidentschap trachten in de voetsporen van hun beroemde vaders te treden. Behalve in Costa Rica gebeurt dat ook in Mexico, waar Cuauhtémoc Cárdenas van de links-oppositionele PRD na zes jaar weer een poging doet het presidentschap te veroveren. Zijn vader, PRI-president Lázaro Cárdenas, is nog steeds een van de meest geliefde staatshoofden. Zijn nationaliseringsmotto uit de jaren dertig: “De olie is van ons!” geldt - anders dan in Argentinië - ook in het eveneens neoliberale Mexico van Salinas nog als een onaantastbaar dogma. Colombia's Andrés Pastrana is de zoon van oud-president Misael Pastrana, en in Chili is een tweede president Frei inmiddels een feit. Een dynastie werkt bestendigend, zo weet men in elk geval in Haïti, waar Papa en Baby Doc Duvalier bijna drie decennia met harde hand regeerden. Het enige geluk bij de vele ongelukken van Haïti is dan ook dat Baby Doc (nog) geen verkiesbare kinderen heeft.