Voor brood zetten inwoners van Belgrado hun trots opzij

BELGRADO, 27 DEC. De lange rij in het centrum van Belgrado biedt een goede mogelijkheid de stille armoede in de Servische hoofdstad te peilen: veel gepensioneerde bejaarden, maar ook alleenstaande moeders met kinderen, en verwilderd kijkende, op het oog eenzame jongens hebben het er voor over om drie of meer uren in de rij te staan voor de uitdeling van brood, suiker, leverpastei, appeltjes en olie.

Die wordt op het Plein van de Republiek gehouden door de kleine, onafhankelijke vakcentrale Nezavisnost. Een enkeling steekt het brood meteen na ontvangst in de mond, nog voordat hij de tafeltjes waar de andere goederen worden uitgedeeld is gepasseerd - voor hem is het stadium van de echte honger kennelijk al aangebroken.

Voor de dragers van een cultuur waarin trots en koppigheid (de zogeheten inat) een grote rol spelen, is deelname aan een openbare bedeling zeker een enorme stap. De vrijwilligers van Nezavisnost en "Spona', een aan de Servische oppositie verbonden humanitaire organisatie, hebben weinig moeite met het handhaven van de orde in de rij zwijgende wachtenden. Die slingert zich door het centrum van de stad, over de Knez Mihailova, eens de sjiekste winkelstraat van Belgrado, nu voornamelijk een koninkrijk van lege schappen.

De organisatoren van deze wekelijkse uitdeling vragen de wachtenden niet om een bewijs van armoede. De aanwezigheid in de rij is, gezien de plaatselijke mentaliteit, bewijs genoeg, meent een der organisatoren.

Bij de tafeltjes waar de eigenlijke bedeling plaatsvindt, staan groepjes inwoners van Belgrado en bezien deze manifestatie van toenemende verarming van hun stad en de rest van Servië. De vrijwilligers ritselen af en toe buiten de rij om een bedelingspakket voor iemand in de groep toeschouwers van wie zij menen dat die wel behoeftig, maar te beschroomd of te oud is om in de rij te gaan staan: een oud vrouwtje met een stok, een jonge moeder met drie kinderen en de honger op het gezicht.

Slechts een enkeling voelt zich geroepen tot commentaar. Een middelbare man roept: “hadden die gepensioneerden maar niet op Milosevic [de president van Servië, red.] moeten stemmen”. Een ander beweert dat de hulpgoederen - merendeels door privé-initiatief uit het buitenland geïmporteerd - afkomstig zijn van de Kroatische president Tudjman, van de vijand dus.

Verder hangt er een drukkende stilte over het tafereel, slechts onderbroken door een vakbondsactivist die per luidspreker de actie van Nezavisnost uitlegt. De verschillende produkten raken niet tegelijkertijd op, maar ook wie tenslotte nog slechts een brood krijgt uitgereikt, protesteert na uren wachten niet of nauwelijks. Pas bij de allerlaatste broden ontstaat iets als een opstootje. Dan is, na ongeveer drie uur, de bedeling voorbij en wordt megedeeld dat er volgende week, wegens nieuwjaar, geen uitdeling zal zijn.

Pag.5: "Dit is Europa niet, dit is Afrika'

Elders staan echter nog andere rijen in Belgrado, een stad die zich tot voor kort in uiterlijke welstand met veel Europese steden kon meten en zeker voor Oosteuropese begrippen een rijke en westerse indruk maakte. Er zijn de rijen voor de kiosken waar felbegeerde sloffen inheemse sigaretten zijn aangekomen. En er zijn de rijen voor de postkantoren waar gepensioneerden en werkers in de staatsbedrijven een poging doen hun weekinkomen te innen. Vaak is dat helemaal onmogelijk, omdat postkantoren en banken niet over voldoende bankbiljetten beschikken. Met een inflatie van ten minste honderd procent per dag ziet de houder van de cheque de koopkracht van zijn loon dan met de helft verminderen.

Vanmiddag hebben de chequehouders evenwel "geluk': de kersverse biljetten van vijfhonderd miljard dollar zijn van de Nationale bank nu aangekomen op de postkantoren. Wie voor de ontvangst ervan van twaalf tot vier in de rij moet staan heeft evenwel weer pech gehad: want juist het in omloop brengen van de nieuwe biljetten heeft op deze zaterdagmiddag nog een versnelling van de inflatie tot gevolg.

De zwartwisselaars die op alle straathoeken in het centrum “devizedevizedevize” staan te lispelen, geven desgevraagd de ontwikkeling van de geldmarkt door: om twaalf uur betalen ze voor een Duitse mark nog tweehonderd miljard dinar uit, om vier uur is dat al vierhonderd miljard. Dat betekent dat - even afgezien van de voortdurende stijging van de reële prijzen - de waarde van het nieuwe biljet binnen vier uur daalt van ongeveer een Nederlandse rijksdaalder tot een Nederlandse gulden. In de late namiddag zijn bijna alle winkels in Belgrado dicht, omdat het met een dergelijk inflatietempo onmogelijk is nog tot een verantwoorde prijsstelling te komen.

In die winkels is toch al steeds minder te koop, omdat enerzijds iedereen probeert zijn dinarinkomen zo snel mogelijk in goederen - geeft bij wijze van spreken niet welke - om te zetten, en omdat in de meeste sectoren de productie van goederen tot stilstand is gekomen. Het is overal lege schappen troef. Tenzij de prijsstelling, bijvoorbeeld in het geval van boeken, zodanig is dat nog maar weinigen het kunnen betalen in een land waar - volgens onofficiële schattingen - het gemiddelde gezinsinkomen nu gezonken is tot onder een tientje per maand.

Wat de eerste levensbehoeften als meel, olie, brood, suiker etcetera betreft - die zijn uit de normale handel eigenlijk al geheel verdwenen en ook het enkele maanden geleden ingstelde rantsoeneringssysteem met bonnetjes begint hoe langer hoe meer onder absolute tekorten te lijden. In de meeste huisgezinnen heeft men bijvoorbeeld de hoop melk te drinken reeds sedert lang opgegeven. “Voor melk moet je om vijf uur 's ochtends in de rij gaan staan, en dan nog geluk hebben”, vertelt een huisvrouw. “We hebben maar besloten dat de kinderen groot genoeg zijn en geen melk meer nodig hebben”.

Een inflatie als die welke Servië (en Montenegro) in haar greep heeft voltrekt zich, bij ongewijzigde omstandigheden, als een meetkundige reeks. Vandaar dat de inflatie, die in de maand november nog net onder de twintigduizend procent bleef, deze maand vermoedelijk ergens in de buurt van zeshonderdduizend procent zal eindigen. De regering van Joegoslavië (Servië plus Montenegro) heeft voor 1 januari een nieuwe denominatie, dat wil zeggen een nominale herwaardering van de dinar aangekondigd. Was het bij de vorige denominatie op 1 november van dit jaar nog voldoende om te bepalen dat een miljoen dinars er voortaan één waren, de komende houdt in dat een miljard dinars er voortaan één zullen zijn. Gezien de ontwikkeling van de laatste dagen lijkt een omvangrijker denominatie evenwel aanbevelenswaardig, wil de overheid ervoor willen zorgen dat de prijzen een paar maanden op uitspreekbaar niveau blijven.

In de Joegoslavische regeringsmedia worden inflatie en de toenemende armoede dagelijks en met grote nadruk toegeschreven aan de internationale sancties en het handelsembargo dat vorig jaar tegen Servië en Montenegro is ingesteld in verband met hun bemoeienis met de oorlog in Bosnië-Herzegovina. In werkelijkheid, menen deskundigen, gaat het om een complexer verschijnsel, dat vooral teweeg wordt gebracht door de langdurige inflatoire financiering van de oorlogsinspanning en in het algemeen de plaatselijke economie, waar nog nauwelijks privatisering en post-communistische rationalisatie hebben plaatsgevonden. Oorlogsuitgaven, pensioenen en uitkering van lonen in de reeds lang stilgelegde staatsbedrijven - dat alles wordt nog bijna uitsluitend gefinancierd door het laten draaien van de bankbiljettenpers - waarbij het ontbreken van industriële produktie en de door de embargo's verijdelde export ervoor zorgen dat er nauwelijks nog sprake is van een nationaal inkomen in de gebruikelijke zin.

In weerwil van eerdere voorspellingen is het de Joegoslavische nationale bank nog steeds niet aan papier voor nieuwe biljetten - een importprodukt - gaan ontbreken. Wel raakt langzamerhand de inkt op, en gaan de biljetten qua kleur hoe langer hoe meer op elkaar lijken: diverse variëteiten oranje. Iets in dinars betalen wordt, afgezien van de onoverzichtelijkheid van de prijzen, hoe langer hoe meer puzzelwerk door de snelheid waarmee de verschillende biljetten elkaar opvolgen. Op alle staat de waarde in cijfers vermeld en 500000000000 is gauw met 50000000000 verwisseld.

In werkelijkheid lijkt de dinar echter in het economisch leven steeds meer terrein te verliezen, ten gunste van het gebruik van buitenlandse valuta, vooral de Duitse mark. Met name in de dienstensfeer (taxi's, stomerijen, restaurants) is het nauwelijks meer mogelijk voor dinars iets gedaan te krijgen en steeds meer goederen (benzine, wasmiddelen) gaan ook alleen nog maar tegen betaling in D-mark van de hand, afgezien van de levering tegen bonnetjes van de distributie. Al deze goederen en diensten raken daarmee dus buiten bereik van degenen die niet over een bron van harde valuta, bijvoorbeeld in het buitenland wonende familieleden, beschikken. Daarnaast bloeit, vooral in kleinere steden en op het platteland, de ruilhandel.

Voor een grote stad als Belgrado (ongeveer twee miljoen inwoners) is ruilhandel nauwelijks een oplossing. Vandaar dat de overheden en staatsbedrijven er hier hoe langer hoe vaker toe overgaan hun werknemers uitbetaling in natura toe te zeggen. Volgens een bekendmaking zullen de gepensioneerden en werknemers in de overheidssector vóór 7 januari (orthodox Kerstmis) een pakket met vlees, melkpoeder, aardappelen, bonen, rijst, olie en meel ontvangen, ter waarde van ongeveer veertig D-mark.

De spoorwegarbeiders in de centra Belgrado en Nis hebben dit weekeinde laten weten daarop niet te willen wachten. Zij zijn in staking gegaan en eisen een eenmalige uitkering van honderd D-mark (in D-marken), afgezien van een inflatiebestendig en verhoogd dinarinkomen. De overheid heeft geantwoord dat aan een uitkering in harde valuta niet te denken valt.

De spoorwegstaking leidde dit weekeinde op het centraal station van Belgrado al tot chaotische scenes, waarbij duizenden mensen elkaar verdrongen voor een slaapplaatsje in de stationshal. De staking is bovendien een streep door de rekening van al diegenen die hadden verwacht per trein voor de komende feestdagen hun familie in de provincie te kunnen opzoeken. Het alternatief, interregionale bussen, wordt hoe langer hoe problematischer, door het gebrek aan brandstof en het gebrek aan reserveonderdelen en daaruit voortvloeiende gebrek aan autobussen. Zowel bij het regionaal als het plaatselijke vervoer binnen Belgrado doen zich apocalyptische scenes voor: tientallen minuten duwen om binnen het reeds als een sardineblikje gevulde voertuigen te geraken.

Tegen betaling in D-marken is het nog mogelijk zich per bus naar het buitenland te laten vervoeren, en veel inwoners van Belgrado zijn dat voor de komende dagen van plan, bijvoorbeeld om de bij de jaarwisseling gebruikelijke cadeautjes te kopen, of voedsel. Wie zich vroeger vrolijk maakte over de arme Roemenen en Bulgaren die in Joegoslavië de sfeer van "het Westen' kwamen proeven en wat armelijke goederen probeerden te verkopen om aan dinars te raken, ziet de rollen plotseling omgedraaid. Busondernemingen in Belgrado bieden nu economische uitstapjes aan naar de eertijds armere buurlanden, tot de Oekraïne aan toe.

Een probleem hierbij zijn de enorme wachttijden (tot een etmaal aan toe) aan de weinige grensovergangen. Die zijn vooral een gevolg van het feit dat in de grensstreken, bij gebrek aan andere economische activiteit, de bevolking de tijd doorbrengt met het overschrijden van de grens in de hoop aan de overkant iets te kunnen kopen, dat ondanks het embargo en strenge douanecontroles te kunnen binnensmokkelen en vervolgens met winst te verkopen.

De hele situatie brengt bij menigeen in Belgrado een lichte identiteitscrisis teweeg: “Dit is niet meer Europa, dit is Afrika” is een veelgehoorde uitspraak. Het gonst van de geruchten: dat er geen chloor meer is voor de waterleiding zodat binnenkort iedereen ziek zal worden, dat binnenkort de stroom zal worden gerantsoeneerd, het telefoonnet zal instorten. Met name de middenklasse, zo is de algemene indruk, heeft de economische ineenstorting niet willen afwachten en is er, in weerwil van het feit dat de meeste landen nu visa vragen van de inwoners van Servië en Montenegro, massaal in geslaagd elders een heenkomen te vinden.

Wie nog in de stad is gebleven, en geen volstrekte pauper is of van de bedeling leeft, is thans veelal bezig zijn woning te barricaderen met nieuwe sloten en grendels. “Ik heb mijn lesje geleerd”, aldus een jonge intellectueel, “toen ik laatst de deur opende voor iemand die zei dat hij een rekening kwam brengen en twee mannen met pistolen binnenkwamen”. De algemene perceptie is, dat het op straat in Belgrado ook steeds gevaarlijker wordt en het aantal gewapende berovingen steeds toeneemt. Al langer kent Belgrado het verschijnsel van de nadrukkelijke aanwezigheid van criminelen op straat, maar menigeen verwacht een verdere verslechtering: “Er lopen in Belgrado steeds meer wanhopige mensen rond, die tot veel in staat zijn”.