Van over het spoor

Ik heb vroeger eens in een biografie van Bob Dylan gelezen hoe hij in de late winter van 1964 een lange autotocht door het zuiden van de Verenigde Staten maakte. Het ademde helemaal de volgehouden gekte van Kerouac's On the Road. Een auto vol vrienden, drank, dope en maar rijden tot aan de horizon. En dan verder. Dat is toch een oerervaring. In ieder geval tintelde het over mijn ruggegraat toen ik dat las. Het woelde een verlangen naar de overkant los, zoals Dylan eigenlijk altijd doet.

"Songs are just thoughts. For the moment they stop time. Songs are supposed to be heroic enough to give the illusion of stopping time.' Helemaal begrijpen kun je zo'n uitspraak van Dylan niet, maar wat doet het ertoe. Even de tijd stilzetten: uit zo'n wens spreekt in ieder geval een hevige behoefte om te ontsnappen. Ik hobbel daar kritiekloos achteraan, ik ben een echte fan.

Wat me bezig houdt is het verlangen om daar te zijn waar je niet bent. En waarom is dat wat je niet doet meestal van groter belang? Dergelijke vragen verstoppen mijn verstand. Het moet toch mogelijk zijn om na zoveel oefening over mijn eigen schaduw heen te springen en de achterkant van de spiegel te zien? Je probeert bilocatie, maar het eindigt ermee dat je jezelf pootje haakt. Toch blijft dat het ideaal van de romanticus. Geen afgebakende plek, maar vloeiende lijnen en al helemaal geen beroep. Het koesteren van de idee dat je nooit samenvalt met wat je bent.

Ik trek mijn slijmspoor als een dikke slak, de voelhoorns angstig ver naar voren, altijd klaar om me terug te trekken in de beslotenheid van mijn huisje. “Wil je geen compromissen sluiten dan zit er niets anders op dan je eenpersoons-staat in de staat te worden. Dat betekent veel binnen blijven”, schrijft H.J.A. Hofland in zijn één na jongste roman. Dat doe ik nu al weer jaren en het begint me te benauwen. Vandaar dat ik dacht: ik smijt de deur achter me dicht en neem een enkele reis Den Haag. Het wordt tijd mijn geluk aan de andere kant van het spoor te beproeven.

Maar helaas, al bij het oversteken kwam ik onder de wielen. Te weinig kennis van de dienstregeling, zoiets.

Sinds zes weken leid ik bij vlagen een heus dubbelleven, het was dan ook een dubbeltje op z'n kant. Soms stel ik me in bewaakt ogenblik voor dat ik de trein wel had gehaald en in Den Haag was aangekomen. Hoe zou ik dan nu kijken naar de nieuwsberichten? Zou ik me schamen of me trots voelen? Hoe zou mijn tred zijn en de omvang van mijn borstkas? Zulke gedachten moet je toelaten, maar wel op gezette tijden, anders gaat het niet goed. Ik bedoel: je moet je hoofd er bijhouden en na oudjaar ermee ophouden. De gedachte dat het leven elders is werkt namelijk verslavend.

Dat verlangen naar een dubbelleven is net als verdovende middelen een manier om je af te schermen van de werkelijkheid. Konrád schrijft in het Cultureel Suplement van afgelopen vrijdag dat er geen beschaving bestaat zonder verslaving. Dat is vast zo, maar de onze weet werkelijk van geen ophouden meer. Er is ook zoveel informatie die buiten de deur moet worden gehouden. Het begint er eigenlijk al mee dat ik vaak lees met muziek aan. Dat is een verdeling van de aandacht, een voortdurende ontsnapping aan het hier en nu. Altijd de overkant koesteren heeft iets heel aantrekkelijks, maar het is vast niet goed om zo vaak uit te wijken voor de werkelijkheid.

Toch moet je je ook blijven warmen aan beweegredenen die uiteindelijk niets in beweging hebben gebracht. De aarzeling is minstens even belangrijk als de daad die erop volgt. Het moment waarop twee waarheden je verknippen, dat roerloze evenwicht voordat het overhellen begint, mag niet worden vergeten. Natuurlijk, het is ook een pijnlijk moment en de angst voor de leegte neemt al snel bezit van de wankelaar. Ze zeggen dat er een soort rust over je neerdaalt als het besluit eenmaal is gevallen. Spijt hebben mag al helemaal niet. Het zal wel. Ik wil sympathie blijven opbrengen voor het tegendeel van wat ik na lang aarzelen heb gekozen.

Grondige twijfel dient zich meestal op kousevoeten aan. Tegenover de welgemeende belofte staat een groeiende onzekerheid of je die op een betrouwbare manier kunt nakomen. Het einde van dit sombere liedje is dat je er van overtuigd raakt dat de keuze die uiteindelijk overblijft er een is tussen twee manieren om je geloofwaardigheid te verliezen. Dat valt dan achteraf weer reuze mee. Men heeft wel wat anders aan z'n hoofd.

Toen ik zo over mijn mislukte reis naar Den Haag zat te dubben, besefte ik dat al die intellectuelen en kunstenaars die zich opwerpen als de belichaming van de vrijheid, helemaal niet begrijpen dat ze uit de aard der zaak kleine tirannen zijn. Wie de wereld naar zijn eigen maatstaven probeert te ordenen wijst anderen hun plaats. Maar wie zich wil voegen in een democratische traditie krijgt met het omgekeerde te maken: hem wordt een plaats gewezen. En dat betekent onvermijdelijk het afscheid van de "eenpersoons-staat', die warme jas.

Naast de hoogmoedige trouw aan een eigen beeld van de wereld, hoort een bescheiden oordeel te staan over de democratie en haar vertegenwoordigers. Publieke uitvergroting en verantwoordelijkheid drukken namelijk zwaar, tenminste als het goed is. Daarmee is allerminst gezegd dat de neiging van politici om het idee van "verantwoording' voor zichzelf te reserveren, onderschreven zou moeten worden. Er zijn vele manieren om rekenschap af te leggen, met een soortelijk gewicht dat zich moeilijk laat vergelijken. Wie schrijft kan zich achter niets of niemand verschuilen, kan zich niet beroepen op een collectief, en dat roept zo zijn eigen spanningen op. Gematigde ideeën paren aan compromisloze verantwoording, dat is een mooi en moeilijk ideaal, waarvoor ik graag een buiging maak.

John le Carré schrijft in The little drummer girl, één van de mooiste boeken over dubbelleven: “(...) like most rebels, she was only looking for a better conformity.” Het is verschrikkelijk waar. Maar de uitkomst is nooit de hele waarheid, er zijn ook motieven die naar dat betere conformisme leiden. Misschien zijn die van groter belang dan de uiteindelijke verzoening met een omschreven plaats in de wereld. En wie weet trouwens precies wanneer het moment van dat betere conformisme zich aandient? Eens is het vast zover, maar sommigen laten op hun achttiende de overkant los en bij anderen duurt dat tot hun zevenenzestigste. Zo op het eerste oog voel ik me meer verwant met de laatsten. Toch kun je er verschrikkelijk naast zitten en het betere conformisme niet herkennen als het langs komt. Daarover ga ik nog tot oudjaar zitten piekeren.

Het einde van het jaar is sowieso een miserabel moment. Al die lopende rekeningen die worden afgesloten voordat ze zijn vereffend. Al die onhandige omhelzingen als het buiten weer oorlog is geworden. Al die te opgewekte feesten rond oud en nieuw, waar de vaart niet in wil komen. Vroeger veinsde ik vaak een stoelgang en dan kwam ik vijf minuten te laat, dat viel nooit echt op. Dat moment van dubbelleven is niet meer mogelijk, want met z'n drieën thuis word je al snel gemist.