Romanticus Soerjadi toont liefde voor Liszt

Concert: Wibi Soerjadi, piano. Programma: Chopin: Nocturnes op. 9 nr. 1 en 2; Nocturne op. 27 nr. 2. Ballade nr. 4 op. 52; Grande Polonaise op. 22; Liszt/Schumann: Widmung, Frühlingsnacht; Liszt/Schubert: Ave Maria, Die Forelle; Liszt/Gounod: Wals uit Faust. Gehoord: 26/12 Concertgebouw Amsterdam.

Op zijn elfde jaar zat Wibi Soerjadi met een toneelkijker de grote pianisten op de vingers te kijken. Alles wat hij zag noteerde hij in een schriftje. De vlam was in de pan geslagen en hij wist wat hij wilde. Gisteravond werd de inmiddels 23-jarige pianist bij zijn Kerstrecital op zijn beurt aandachtig bespied door de kleine jongens en meisjes in de zaal die vanwege de Kerstvakantie door hun ouders mee uit waren genomen. Cultuuroverdracht heet dat op het ministerie. In werkelijkheid is het een oplaaiende steekvlam, rode konen en niet meer kunnen slapen.

Het spel van Soerjadi sluit aan bij de romantische pianistengeneratie, die nu vrijwel geheel is uitgestorven, maar een onuitputtelijke bron van inspiratie blijft. Op het Conservatorium was Jan Wijn zijn leraar, maar thuis kreeg hij les van Rachmaninov, Horowitz en Jorge Bolet. Van hen leerde hij de vrijheid die rubato heet, en van hen kreeg hij die typisch romantische gedrevenheid om onmogelijk moeilijke noten terloops uit de mouw te schudden.

Het 'naslaan', een verdord maniërisme van sommige oudere pianisten, is bij Soerjadi in de kern begrepen en weer geworden tot wat het in de vorige eeuw moet zijn geweest: twee handen die als zelfstandige individuen opereren. Meesterlijk was zijn pedaalgebruik en zorgvuldig stemde hij de klankverhouding van de twee handen op elkaar af. Een doorgaande beweging links was bijvoorbeeld altijd zachter dan een 'zangstem' rechts, waardoor de twee handen los van elkaar in volkomen vrijheid hun gang leken te gaan.

Al dit schoons etaleerde Soerjadi tijdens zijn recital na de pauze bij Liszt in diens parafrases van Schubert- en Schumannliederen. Zo'n twintig jaar geleden haalden veel muziekliefhebbers voor Liszt's parafrases nog de neus op. In handen van Soerjadi waren zij een en al elegantie en raffinement. Mede door zijn intelligente keuze van de te spelen stukken wist de jonge pianist met zijn ingetogen en verfijnde Liszt interpretatie geheel te overtuigen.

Voor de pauze paste hij diezelfde benadering toe op Chopin, helaas met minder succes. “Aan Chopin valt weinig te verpesten, dat staat als een huis. Liszt is gevaarlijk. Aan Liszt is altijd veel uit te zoeken”, zei Soerjadi onlangs in een interview in Het Parool. Daar heeft hij zich op verkeken.

Zeker, Chopins muziek staat als een huis. Maar onder het verfijnde oppervlak woelt bij hem een passie die soms ontembaar begint te kolken. Soerjadi's visie op Chopin bleef teveel aan de oppervlakte en hij onthulde maar weinig van de wereld achter de noten. Bij de vierde Ballade bijvoorbeeld wist hij met de oplaaiende gevoelsuitbarsting niet veel meer te beginnen dan het indrukken van het gaspedaal en het opvoeren van de snelheid. Chopins passie is hem kennelijk vreemd: zijn ware liefde en aandacht gaat uit naar Liszt.