Naamgeving van Macedonië bilaterale kwestie genoemd; Athene probeert bezorgdheid Europese Unie weg te nemen

ATHENE, 27 DEC. Op verschillende manieren probeert de regering in Athene de bezorgdheid weg te nemen die in de Europese Unie de kop op heeft gestoken bij de nadering van het Griekse voorzitterschap. De andere EU-landen zijn vooral beducht voor het vooruitzicht dat Griekenland in de eerste helft van 1994 het voorzitterschap zou kunnen gebruiken om eigen stokpaarden te berijden: pantsering tegen Turkije, begrip en mededogen wekken voor Servië, begunstiging van Cyprus en vooral schrapzetting tegen Macedonië - dat in Griekse ogen deze naam niet mag voeren.

Bij zijn geruststellingen op dit laatste punt is de Griekse minister van Europese zaken, Theódoros Pángalos, opvallend ver gegaan. Het voorzitterschap zou zeker niet in het licht van de "kwestie-Skopje' komen te staan, zo zei hij, en hij veegde de vloer aan met een uitzinnig voorstel van de ultra-nationalistische leider Samarás, een veto uit te spreken over de toetreding van Zweden en Finland omdat deze diplomatieke betrekkingen met Skopje waren aangegaan.

Voor het eerst ook noemde hij het probleem van de naamgeving van Macedonië een “bilaterale” kwestie. Een opmerkelijke uitspraak als men bedenkt dat Athene regelrechte onderhandelingen met zijn noordwestelijke nabuur tot nu toe steeds uit de weg is gegaan.

Twee jaar lang heeft Athene vastgehouden aan de fictie dat de naamgevingskwestie een internationaal karakter had en dat voor de oplossing ervan kon worden teruggegrepen op de "solidariteit binnen de Europese Gemeenschap', die in één van haar uitspraken (Lissabon, juni 1992) had vastgelegd dat de term Macedonië niet in de naam van de nieuwe republiek thuis hoorde. Deze maand echter zijn zes van de elf overige landen van de Europese Unie overgegaan tot het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met Skopje als hoofdstad van de "voormalige Joegoslavische republiek Macedonië' (FYROM), de naam waaronder de republiek is toegetreden tot de Verenigde Naties, toen met algehele instemming, ook van Griekenland. Athene zag dit immers als een "voorlopige' beslissing.

Na een opflikkering van boosheid is de regering-Papandreou nu teruggevallen in berusting, waarbij ook de toezegging van de Britse minister van buitenlandse zaken Hurd worden ingecalculeerd. Deze verkondigde zuurzoet dat de "zes' hun kersverse diplomatieke betrekkingen zouden kunnen gebruiken om bij Skopje begrip te kweken voor het Griekse standpunt.

Dat dit begrip bij de zes zelf miniem is, weet men in Athene maar al te goed. Door de meeste regeringsleiders - de Duitse bondskanselier Kohl voorop - wordt naar hartelust de naam "Macedonië' gebezigd en er zijn nauwelijks tekenen dat men in deze landen wakker ligt van bepaalde artikelen in de Skopiaanse grondwet, van het gebruik van de Griekse zon van Vergina in de vlag en van de nieuwe lichting schoolboeken, waarin Alexander de Grote wordt voorgesteld als de grootste - en niet-Griekse - Macedonische leider en de Olympus als het centrale Macedonische gebergte.

De Europese Unie als bondgenoot in de kwestie van de naam was al eerder door Pángalos afgeschreven - hij sprak van een 'verloren zaak' - maar er is internationaal nog één strohalm waaraan Athene zich vastknoopt: de Verenigde Staten. Washington heeft te kennen gegeven, het Europese voorbeeld voorlopig niet te volgen - waarbij het Witte Huis zich schijnt te moeten afzetten tegen het State Department - en de Griekse onderminister van buitenlandse zaken George Papandreou, zoon van de premier, heeft een langdurige tournee door de Verenigde Staten gemaakt, die niet zonder uitwerking lijkt te zijn gebleven.

Op 14 januari ontmoet Andreas Papandreou president Clinton in Brussel, en voor maart staat zijn bezoek aan Washington op het programma. De nieuwe Griekse regering heeft sinds haar aantreden in oktober een opvallend pro-Amerikaanse houding ingenomen en het is onwaarschijnlijk dat Clinton de idylle vóór de lente zal willen verstoren door, naar Europees voorbeeld, diplomatieke betrekkingen met de FYROM aan te gaan.

Het is de Griekse hoop dat van Amerikaanse zijde hierbij voorafgaande tegenprestaties zullen worden gevraagd, in de vorm van op zijn minst het laten verdwijnen van de Griekse zon uit de vlag. De Griekse premier en zijn zoon hebben, ieder op eigen wijze, laten doorschemeren dat concessies als deze het klimaat, in wat nu een 'bilaterale kwestie' is, zullen kunnen verbeteren, en tot een regelrechte dialoog kunnen leiden.

De premier laat zulke geluiden gekoppeld gaan aan de lichte dreiging dat, als gebaren van goede wil uitblijven, Griekenland de jonge republiek economisch de duimschroeven kan aanleggen door sluiting van de grenzen en/of de toegang tot de haven Thessaloniki. Maar zowat iedereen weet dat dit ondenkbaar is met het oog op Griekenlands internationale reputatie, zeker tijdens het voorzitterschap.

Het is overigens evenzeer ondenkbaar dat president Gligorov met concessies aangaande de vlag komt vóór de parlementsverkiezingen die komend voorjaar in zijn republiek moeten worden gehouden. Dat is het lot van kwesties als die van Cyprus en Macedonië: een oplossing komt steeds weer op de lange baan doordat er "ergens' verkiezingen op het programma staan.