Macchiavelli in Mokum

IN DE TABOE DOORBREKENDE jaren zestig is er serieus over gedelibereerd of de Kring van hoofdcommissarissen van politie wel een eigen briefhoofd mocht voeren.

Volgens de puristen paste een dergelijk teken van zelfstandigheid de politie niet, die immers in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag haar functie dient te vervullen. Dit concept van de politie als robot is inmiddels gelukkig verlaten. Nu dreigt een ander uiterste. Menige korpschef specialiseert zich in ongevraagde verklaringen hoog op de “schaal van Macchiavelli”, zoals dat onlangs op een politiecongres werd genoemd. Het beeld van de korpschefs van de vier grote steden, onlangs bij het in ontvangst nemen van - inderdaad - de Macchiavelli-prijs voor overheidsvoorlichting, sprak boekdelen.

De nieuwswaarde van deze prijsuitreiking werd verhoogd door een uitspraak van een van de laureaten, de Amsterdamse korpschef Nordholt, over infiltratiepogingen van de georganiseerde misdaad in de politiek. Dat politieke partijen niet immuun zijn, is inmiddels wel aannemelijk gemaakt. In zoverre heeft het macchiavelliaanse schrikeffect zijn waarde bewezen. Maar de afhandeling van de aangekaarte affaires laat, blijkens uitlatingen van de betrokken voorzitters van de Amsterdams afdelingen van VVD en PvdA, gerede vragen open over het gehalte van het onderzoek naar kandidaten.

Dit illustreert dat de horzelfunctie van de moderne politiechef haar grenzen heeft. Zeker bij dit soort delicate infiltratieproblemen heeft hij het bevoegd gezag nodig. Dat impliceert wat meer consideratie met de eigen verantwoordelijkheden van deze autoriteiten dan het ongeduld, een goede zaak waardig, wellicht decreteert. De vooruitgeschoven positie van Nordholt is niet versterkt door recente berichten over commerciële nevenactiviteiten van onder meer het Amsterdamse korps die indruisen tegen een duidelijke waarschuwing van de politieministers. Het kabinet heeft zich ingespannen voor een nieuw politiebestel waarin de regionale korpsen de plaats krijgen van verzelfstandigde bestuurlijke organisaties. Maar dat moeten geen “koninkrijkjes” worden, waarvoor vlak voor het reces terecht werd gewaarschuwd in de Tweede Kamer.

Het opblazen van een interregionaal rechercheteam onlangs had zelfs iets van ruziënde koninkrijkjes, Amsterdam tegen de rest. Wat nu eigenlijk de aard van de problemen was is ondoorzichtig gebleven. De politie(top) kan uit de aard der zaak niet altijd open kaart spelen. Zij heeft echter een eigen verantwoordelijkheid voor de vitaliteit van de politieke, bestuurlijke en justitiële controle. Opereren in een niemandsland lijkt wellicht aantrekkelijk maar breekt op den duur de politie zelf op. De skepsis die tijdens het Kamerdebat werd geuit over de roep van de politie om meer mensen en meer middelen - en dat met de verkiezingen in zicht - vormt een teken aan de wand.