'Je techniek pas je makkelijker aan dan je karakter'

Een jaar geleden zat hij zo diep in de put dat hij niet aan het Europees kampioenschap wilde meedoen. Een olympisch kampioen die de wanhoop voorbij dacht te zijn. Bart Veldkamp, die morgen en woensdag weer meedoet aan de Nederlandse afstandskampioenschappen in Heerenveen. Over zijn jaarlijkse race tegen de zelfhaat en de twijfel.

De ongecompliceerdheid waarmee Falko Zandstra en Rintje Ritsma het ijs opstappen, kan hem telkens weer verbazen. Perfectionist Bart Veldkamp: twijfelaar en tobber. Die onbezorgdheid is hem vreemd.

Europees kampioen is hij geweest. Olympisch kampioen is hij geweest. Heeft hij niet alles al gewonnen? Toch altijd het idee dat hij nog beter kan. Als hij zich maar niet zou gek maken met die allesverzengende dwang om te winnen. Als hij zichzelf na elke slechte race maar niet de vernieling in zou peinzen. Als hij maar niet zo “kinderlijk” omging met de sport.

Hij dacht dat hij dat stadium van onvolwassenheid voorbij was. “Ontspannen sporten.” Dat was vorig jaar zijn belangrijkste streven. Presteren: het beste uit zijn lichaam halen. Medailles, ereplaatsen, die kwamen op de tweede plaats.

Mooie woorden. Mooie plannen. Weerbarstige werkelijkheid. “Ik zei het wel, maar ik geloofde het nog niet. Toch nog te gefixeerd op winnen. Me steeds weer met de anderen vergelijkend. Voldaanheid laten afhangen van de plaats waarop ik eindig. In plaats van een race op zichzelf te bekijken. Heb ik gedaan wat ik kon?”

“Als sporter moet je natuurlijk altijd willen winnen. Als het moment daar is, moet je in staat zijn om iedereen af te maken. Dat heb ik ook wel. Maar het kinderlijke kwaad zijn, omdat je niet kunt winnen, dat geeft alleen maar nadeel. Ik maak mezelf zo druk en nerveus, dat ik niet mijn normale niveau haal. Zonde gewoon.”

“Als ik als een kind een spelletje verloor, was ik vaak zo kwaad dat ik zei dat ik het nooit meer wilde spelen. Dat zeg ik nog wel eens. Maar dat kinderlijke, dat wil ik graag kwijt. Het geeft toch een bepaalde rust als je de sport meer volwassen benadert. Ook meer plezier.”

“Maar die omschakeling valt niet mee in de praktijk. Omdat je karakter zo is. Omdat je van kindsaf aan met alles en iedereen in competitie bent. Dat is natuurlijk moeilijk te veranderen. Je techniek pas je makkelijker aan dan een karaktereigenschap. Zo'n houding zit diep. Sinds dat ik sport, ben ik al bezig met die verandering. Beetje bij beetje gaat het beter.”

“Als je in de kernploeg komt, heb je dat probleem van het 'moeten winnen' nog niet. Je hebt niks te verliezen, dus je vliegt overal in. Bij de World Cup word je twaalfde. Dat vind je heel goed. En het jaar daarop word je negende. Dat vind je een geweldige verbetering. Tot je een paar keer hebt gewonnen. Dan is een derde plek voortaan slecht. Dan ga je je druk maken: als ik maar geen derde word.”

“Je bent alleen nog maar bezig met winnen. In plaats van met schaatsen, zo goed mogelijk rijden. En als je dan merkt: het lukt niet, dan kom je terecht in een neerwaartse spiraal. Dan ga je alleen maar slechter rijden.”

“Ik had gedacht: dat overkomt me niet meer. Ik had gedacht dat ik die oude fout te boven was. Dat ik had geleerd van mijn verleden. Dat ik me niet meer druk zou maken. Maar niks bleek minder waar. Dat was een teleurstelling, ja. Een teleurstelling op een teleurstelling zelfs. Want ik viel in een gat, terwijl ik had gedacht dat ik daar nooit meer in terecht zou komen. Ik viel dieper dan ik ooit had gezeten.”

“Na de jaarwisseling had ik een hele slechte periode. Daar had ik het heel moeilijk mee. Omdat ik merkte: ik ben niet meer de beste allrounder. Omdat ik zag dat Rintje en Falko en ook Koss een straatlengte op me voorlagen. Dat was bijzonder lastig om te accepteren. De jaren daarvoor speelde ik nog wel mee voor de hoogste plaatsen. En dan sta je opeens een trapje lager.”

“Op een gegeven moment had ik geen zin meer om te schaatsen. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Het was een week voor het EK. In Davos reed ik iets van 7.08 op de 5.000 meter. En Falko reed 6.53. Ik dacht: ik kan niet harder, ik zit helemaal vast. Ik dacht: ik kap ermee. Toen zei Ab Krook ineens: 'misschien is het maar beter als je geen EK zou rijden'. Dat had ik zelf al steeds geroepen: 'kankerschaatsen. Ik rijd geen EK'.

“Maar toen Ab het zei, toen schrok ik toch wel even. Ik dacht: 'ja, wacht effe, dat bepaal ik zelf wel'. En: 'nee, dat gebeurt niet. Ik rijd wel het EK. Dan ga ik maar op mijn bek, maar ik wil niet afzeggen omdat ik niet lekker in mijn vel zit'. Want ik was lichamelijk gewoon in orde. Alleen psychisch was ik niet in balans.”

“Toen reed ik de maandag voor het EK twee tempootjes op de baan in Davos, en daar ging het ineens toch wel lekker. Sneller dan Falko en Rintje. Niet dat dat veel zegt, maar de week daarvoor was ik niet vooruit te branden. Dus kreeg ik toch weer wat vertrouwen. Ik ging naar het EK met het idee: ik probeer maar me zo goed mogelijk te laten zien op de 5 en 10 kilometer. De 500 en 1500 meter, die neem ik zoals ze zijn. En voor de rest is het een demonstratie dat ik het nog wel kan voor mezelf.”

“Ik begon vol twijfel aan de 5.000 meter. Ik dacht: 'dit wordt niks'. Ik stond versteld van de rondetijden die ik toch nog reed. En plotseling het inzicht: als ik zo loop te klooien, en ik rijd nog deze rondetijden, dan moet ik eens ophouden met zeiken. Ik kon zelfs nog versnellen, een nieuw persoonlijk record rijden. Ik heb mezelf, zeg maar, overwonnen in die race.”

“Naderhand dacht ik: 'wat ben ik toch voor sukkel. Rijd ik met zo'n rotgevoel, met een lijf in onbalans, nog deze tijd. Als ik mijn hoofd erbij hou, hoe snel kan ik dan wel niet gaan'.”

“En op het WK ging het nog weer beter. Ik had al meer geaccepteerd dat ik, zeg maar, op het tweede plan reed. Ik kon niet meer meedingen naar de eerste drie plekken. Maar ik kon wel nog de rest voorblijven, ik kon nog vierde worden. Hoeveel jongens zouden niet een gat in de lucht springen als ze vierde konden worden? Ik moest daar ook tevreden mee zijn. Dat zei mijn verstand. Maar helemaal heb ik me daar nog altijd niet bij neergelegd.”

“Je ontkomt er in de sport niet aan om jezelf met anderen te vergelijken. Maar je mag je prestaties er niet door laten beïnvloeden. Als je op het ijs stapt, moet je niet meer naar de anderen kijken, alleen naar jezelf. Je kunt nooit meer doen dan je best.”

“Je moet het vergelijken met schooltentamens. Je haalt niet altijd een 10. Soms is een 9 ook voldoende om goed te presteren. Je haalt de ene keer een 7, dan probeer je de volgende keer een 8 te halen. En dat die andere jongens misschien een 10 hebben, of een 2, dat maakt jouw 7 niet meer of minder.”

“Een 10, die haal je maar zo zelden. Bij het EK in 1990. En de week daarvoor in Davos. Daar reed ik zo relaxed, zo zonder moe te worden. En een keer in Skien, in Noorwegen, december 1989. Een hele goeie 5 km. Toen ben ik er echt ingevlogen. Alleen maar naar de finish rijdend. Aan niks anders denkend. Geen stress of negatieve ideeën. Zo zou het altijd moeten gaan.”

“'Wat doe je moeilijk', zeggen sommige mensen. 'Rij toch gewoon'. Maar zo zit ik nou eenmaal niet in elkaar. Ik ben nog steeds lerende. Ik leer nog elk jaar bij. Het ene jaar dat ik niet gemakzuchtig moet zijn. Het andere jaar dat ik me goed moet concentreren. En vorig seizoen dat ik niet te veel naar anderen moet kijken. Sommigen hebben dat al allemaal in één keer van zichzelf. Maar bij mij is er altijd wel iets wat er fout gaat. Gecompliceerd, ja. Dat is dan maar zo.”

“Mijn doel dit seizoen? Sporten met plezier. Wetend dat ik er alles aan gedaan heb. Het resultaat accepterend. Zo wil ik terugkijken op dit jaar. Zo wil ik terugkijken op mijn hele carrière. Zodat ik me niet hoef te verwijten dat er meer had in gezeten, wat er nooit is uitgekomen. Dat ideaal probeer ik te benaderen.”