Hier vecht het wild voor zijn leven

“Hé joh, je jaagt een muis het water in!” Ik had het hele beest niet gezien. De toeschouwers wijzen verwijtend in de stroom, die kolkend de weg volgt. Daar zwemt-ie inderdaad. Een bruin muisje, zo te zien met een redelijk drijfvermogen maar absoluut niet opgewassen tegen het natuurgeweld. Ik kan er net bij zonder mijn laarzen vol te scheppen. Ik vis hem op; hij springt uit mijn hand terug het water in. De tweede keer grijp ik hem bij zijn staart. Alsof hij het begrepen heeft klemt hij zich nu met zijn nagels aan mijn duim vast. Ik zet hem ergens neer waar het droog is en veilig, voorlopig althans.

Ook in de natuur is het hoog water. De Millingerwaard bij Nijmegen, een demonstratieproject van het Wereld Natuur Fonds, loopt vol. Het weggetje langs de Waal kan het water niet meer tegenhouden. Het komt er op vier, vijf plaatsen overheen. Vele meters van de weg worden weggespoeld. Ook door sluizen elders langs de Waal stroomt het naar binnen. De gevolgen zijn dramatisch. Roermond wil een rampenfonds voor bedorven vloerbedekking, hier vecht het wild voor zijn leven.

Van de 140 hectare van de Millingerwaard zijn er nog maar een paar begaanbaar. Toppen van glooiingen zijn snel slinkende eilanden geworden met radeloze konijnen erop. Alleen op de terpen van twee voormalige steenfabrieken ben je echt veilig, althans voor het water. Achter elke graspol zit daar een konijn of een haas. De meeste blijven doodstil zitten als je ze nadert. Tot op twee, drie meter kun je komen, dan sprinten ze weg op zoek naar nieuwe dekking - die ze niet makkelijk vinden. Paniek. Sommige zijn zo moe, nat, koud en hongerig dat ze elke voorzichtigheid uit het oog verliezen. Je kunt ze gewoon op de top van een heuveltje zien scharrelen. Roofdieren hebben nu vrij spel, voor zover ze zelf niet zijn verzopen. Een groepje warm ingepakte natuurliefhebbers volgt de gang van zaken vanaf een droog stuk van de weg met verrekijkers, foto- en filmcamera's. Je ziet niet vaak de natuur zo prachtig, ongeremd wreed haar gang gaan.

Het grootste wild heeft de minste problemen. De runderen en paarden zijn gewoon de terpen op gesjokt en wachten daar nu op betere tijden. De meeste ellende valt de mollen en de muizen ten deel. Sommige pas ondergelopen stukken grond doen denken aan een bubbelbad. Er komt geen eind aan de stroom luchtbellen. Blub, blub, blub, alle gangen en holen lopen vol. En als je klein bent of kippig, of allebei, moet je maar hopen dat je de goede kant op zwemt - als je al op tijd je gat in de grond hebt verlaten. De mollen blijken redelijk vaardige zwemmers te zijn (hun handjes staan precies goed voor de schoolslag); of het ze veel helpt is een andere zaak. Als ze vaste grond onder de voeten krijgen kunnen ze weinig anders doen dan zich weer ingraven - en wachten tot het water ze heeft ingehaald. “Er zal vandaag heel wat sneuvelen”, stelt een kenner uit het publiek vast.

De muizen sneuvelen nog het meest zichtbaar. Voor hen is het 1953. De ene wordt vlak bij het droge alsnog gegrepen door het binnenstromende water en is opeens weer meters van de kant verwijderd. Een ander weet niets beters te doen dan in een uit het water stekende grasspriet te klimmen, vlak bij het kadaver van een verdronken konijn. Tot vreugde van de camerabezitters blijft hij geruime tijd in zijn strohalm zitten. Later is het grassprietje leeg. Waar de muis is gebleven weet ik niet.

Een derde muis rent heen en weer over een tak van een door het water geïsoleerde boom. Niet tevreden met dit toevluchtsoord springt hij terug het water in. Weer een ander is beland op een ronddrijvende plak rommel maar durft er niet af.

Langs de oprukkende waterlijn kunnen we die natte balletjes haar soms met vier, vijf tegelijk zien zitten. Het zijn de 'gelukkigen' die de vaste wal wél wisten te bereiken. Sommige kunnen niet meer. Ze zitten apathisch te kleumen en te wachten op het onvermijdelijke einde. Een muis die zichzelf niet redt hoeft nergens op te rekenen. Andere hebben nog net voldoende besef om zich droog te likken. Dat verlengt het leven want een muis is klein en koelt razendsnel af als hij nat is. Maar ook zij kunnen nauwelijks aandacht opbrengen voor de omstanders. “Je moet nog oppassen dat je er niet op gaat staan”, zeg ik tegen iemand naast me. “Dat heb ik net gedaan”, bekent hij. “Kijk daar.”

Daar zit een kluitje ellende, doodstil maar nog wel levend tussen twee watervalletjes op het talud van de weg. Als hij één stap verzet verdwijnt-ie in het water. Bloed op de plek waar een oog zou moeten zitten. Godverdomme, alsof het allemaal nog niet rottig genoeg is. Hier kan ik niet tegen; met mijn volle gewicht op de hak van mijn laars trap ik het diertje anderhalve decimeter de klei in. Daar sta je dan met je natuur-gaat-haar-gang.

Halverwege de middag pikken meeuwen de laatste muizen van de laatste onderlopende graspollen. Wie ben ik eigenlijk om een meeuw zijn broodnodige voedsel te onthouden?