Fries krijgt erkenning, maar Nederlands wordt bevoordeeld

De positie van het Fries als officiële taal vindt steeds meer erkenning, zo blijkt ook uit het wetsvoorstel Algemene Wet Bestuursrecht dat onlangs bij de Tweede Kamer werd ingediend. Dat is dringend noodzakelijk want invloed en druk van het Nederlands zijn groot. Toch blijft het wetsvoorstel soms achter bij al bestaande praktijken.

Onlangs is aan de Tweede Kamer het wetsvoorstel Algemene Wet Bestuursrecht aangeboden, en wel de tranche waarin de afdeling over het gebruik van de Nederlandse en de Friese taal in het bestuurlijk verkeer is opgenomen. In Nederland bestaat naast de nationale taal Nederlands nog een rijkstaal, namelijk Fries. De positie van het Fries als officiële taal vindt steeds meer erkenning, zoals ook uit dit wetsvoorstel blijkt.

Een aanzienlijk deel van de 600.000 inwoners van de provincie Friesland spreekt Fries, zo'n 400.000 personen. Vrijwel alle inwoners van Friesland (onderzoek wijst een percentage van 95 procent uit) kunnen het Fries in ieder geval verstaan en 65 procent kan Fries lezen. Wie van buiten Friesland komt, heeft na ongeveer een jaar weinig moeite meer met het verstaan van het Fries. In de praktijk betekent dit dat het Fries spreken in vergaderingen of het lezen van een Fries citaat in de krant geen problemen oplevert. Fries wordt gegeven in het basisonderwijs en in de basisvorming, Omrop Fryslân is elke dag 5 uur in de lucht en elke zondag op het landelijke net te zien (met ondertiteling!). Er verschijnen per jaar meer dan 80 boeken in het Fries. Verder wordt in vergaderingen van de provinciale staten en van gemeenteraden behalve Nederlands ook Fries gesproken en wat in het Fries gezegd is, wordt in het Fries genotuleerd.

Van enige erkenning van het Fries in formele wetgeving was tot nog toe nauwelijks sprake, evenmin als van het Nederlands. Naar aanleiding van Kamervragen heeft de staatssecretaris van binnenlandse zaken de mogelijkheden onderzocht om het Nederlands (en daarnaast het Fries) in de grondwet op te nemen. Dat onderzoek heeft niet tot het opnemen van het Nederlands in de grondwet geleid.

Voor het Fries is alleen deelwetgeving uitgevaardigd op het gebied van onderwijs en rechtspraak. Nu is aan de Tweede Kamer het voorstel voorgelegd om in de Algemene Wet Bestuursrecht regels betreffende het gebruik van de Nederlandse en de Friese taal in het bestuurlijk verkeer op te nemen. Hiermee wordt in de eerste plaats de positie van het Nederlands als bestuurstaal vastgelegd. Vervolgens wordt voor de province Friesland het recht op het gebruik van het Fries door zowel burger als provinciale en gemeentelijke overheid geregeld.

Voor het Fries betekent dit dat de in Friesland al jaren bestaande praktijk van mondeling en schriftelijk gebruik van het Fries nu wettelijk geregeld wordt, zij het dat de wettelijke regeling behoorlijke beperkingen voor het schriftelijk taalgebruik inhoudt ten opzichte van de bestaande praktijk. Tevens betekent dit wetsvoorstel een wettelijke erkenning van de Friese taal. Deze wettelijke erkenning zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van de positie van het Fries. Dat die positie versterking behoeft, is wel duidelijk. De invloed van het Nederlands is groot via de media, het onderwijs en niet te vergeten door de toegenomen mobiliteit die nog eens versterkt wordt door het gebrek aan werkgelegenheid in Friesland.

Toch zijn er wel enkele kanttekeningen bij het wetsvoorstel te plaatsen. Provinciale staten gaan in hun taalbeleid uit van de gelijkwaardigheid van Nederlands en Fries binnen de provincie Friesland. Deze gelijkwaardigheid geldt op alle maatschappelijke terreinen, dus ook in contacten tussen overheid en burgers. In het bestuurlijk verkeer kunnen Nederlands en Fries gelijkwaardig naast elkaar functioneren. Daarom is het jammer dat in deze afdeling van de AWB niet expliciet de zinsnede "In de provincie Friesland gebruiken bestuursorganen de Nederlandse of de Friese taal' is opgenomen.

In het wetsvoorstel worden rechten en plichten van bestuursorganen in Friesland vastgelegd. Zij nemen nu soms zelf het initiatief tot het gebruik van Fries in brieven, nota's of notulen. Dat is een onderdeel van een actief taalbevorderend beleid dat al jaren zo gevoerd wordt. In dat licht is het niet duidelijk waarom de wetgever zich zo bezorgd toont over de rechtszekerheid van Nederlandstalige burgers in Friesland. Immers, het notuleren van wat in openbare vergaderingen in het Fries gezegd is en het doen van officiële mededelingen in het Fries is een dagelijkse praktijk die tot nog toe nooit tot praktische problemen heeft geleid. De wetgever vindt nu dat een ieder recht heeft op een kosteloze vertaling van in het Fries gestelde notulen en tevens van alle andere in het Fries gestelde stukken, ongeacht of hij/zij direct belang bij de zaak heeft. Maar hoe valt dat dubbele werk te rijmen met de aanstaande bezuinigingen op de provinciefondsen? In de praktijk van de bezuinigingen zal het erop neerkomen, dat stukken en notulen dan maar weer uitsluitend in het Nederlands worden opgesteld om dubbel werk te voorkomen. En dan heeft de wettelijke regeling precies het tegendeel bereikt van wat zij voor het Fries beoogt, namelijk ontmoediging in plaats van bevordering van het Fries.

Ook het recht van burgers om zich in het Fries tot de overheid (in Friesland) te wenden, wordt geregeld, maar als dit tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden, kan het betrokken bestuursorgaan de burger toch verzoeken het Nederlands te gebruiken. Dat deze regeling niet zo bevorderend werkt voor het Fries, spreekt voor zich. Maar in welke zin wordt aan "onevenredige belasting' gedacht? Gezien bovengenoemde cijfers over de actieve en passieve beheersing van het Fries, mag de burger verwachten dat bij elk overheidsorgaan voldoende kennis aanwezig is om zijn mondeling of schriftelijk verzoek te kunnen behandelen. Het bestuursorgaan wordt volgens het wetsvoorstel immers niet verplicht in het Fries te antwoorden. Bij de taalkeuze hoeft het bestuursorgaan slechts "rekening te houden met' de continuïteit van taalkeuze, en dat is toch wat anders dan het zogenaamde "volgend taalgedrag' (dat wil zeggen een Friese brief wordt in het Fries beantwoord, een Nederlandse brief in het Nederlands) dat door de provincie Friesland als code aangehouden wordt.

Het Fries is niet de enige minderheidstaal in Europa: er zijn er omstreeks 40, zoals het Welsh (500.000 sprekers) en het Catalaans (6 miljoen sprekers). De opengaande Europese grenzen zullen ongetwijfeld consequenties hebben voor vrijwel alle Europese talen, dus ook voor de minderheidstalen. De neiging bestaat om vanuit het no-nonsense perspectief een keuze te maken voor een klein aantal officiële talen, zoals het Europees Merkenbureau heeft gedaan. Het Nederlands heeft alleen dank zij de inzet van de premiers Lubbers en Dehaene zijn positie van officiële taal van de Europese Unie behouden (NRC Handelsblad van 11 december). Als de positie van het Nederlands al bedreigd wordt, zouden de minderheidstalen het in de no-nonsense cultuur helemaal niet redden.

Hoe staan wij als Nederlanders daar tegenover? Wij Nederlanders hebben de neiging om onze eigenheid weg te denken om deel ten kunnen nemen aan Europa, om goede Europeanen te zijn. Maar het kon wel eens andersom zijn: je kunt alleen goede Europeaan zijn als je jezelf durft te zijn. Om van Europa geen eenheidsworst te maken, is behoud van eigen taal en cultuur noodzakelijk. Die gedachte is uitgewerkt in het Europees Handvest voor regionale of minderheidstalen dat ook door Nederland ondertekend is en waarschijnlijk ook geratificeerd zal worden. Voor de toekomst van een Europa waarin mensen zichzelf kunnen zijn en niet opgaan in de massa, is aandacht voor minderheidstalen en -culturen geen luxe. Het is een noodzakelijke voorwaarde voor een gemeenschappelijke Europese toekomst.