Wij houden van het leven en daaraan sterven wij; Geen beschaving zonder verslaving

Verslaving is onlosmakelijk verbonden met roes, en met illuminatie. De behoefte aan illuminatie is de behoefte aan geluk, en mensen gebruiken uiteenlopende methodes om gelukkig te worden. Wat onze medemensen roken of snuiven behoort - afgezien van een tactvolle belangstelling - niet het voorwerp van onze bemoeizucht te zijn.

Met een vreemd woord addicties. Afgeleid van het Latijnse werkwoord addicere 'zich overgeven aan', 'hartstochtelijk verlangen naar'. Oorspronkelijk betekende dit werkwoord toespreken, zich wenden tot, zich ter beschikking stellen van. Het impliceert iets (het kan ook een iemand zijn) wat we (vermoedelijk) niet kunnen missen, wat we boven ons verheffen, waarvoor we bijna leven. Het neemt onze tijd in beslag, we zijn er bijna voortdurend mee bezig. Bijvoorbeeld geld, macht, zinnelijk genot, roem, werk, haat, misdaad, mode, de fijne keuken, genotmiddelen, lezen en schrijven, elektronisch vermaak, kranten en tijdschriften, de jacht, de techniek, bijvoorbeeld het fabriceren van wapens.

Momenteel worden de verslaafden aan machinegeweren steeds talrijker. Ze kunnen niet zonder. Het regelmatig gebruik van dit speeltje, het ongebreideld erop los knallen, veroorzaakt in landen waar dit in de mode is, veel schade aan de gezondheid (van anderen). Toch is het toegestaan wapens te fabriceren en de regeringen steunen de internationale wapenhandel. Ze achten dit verenigbaar met hun religies en filosofieën, en van de opbrengst sijpelt ook een deel in de zakken van de deugdzame staatsburgers. De handel in bepaalde bewustzijnsverruimende, verdovende of stimulerende middelen daarentegen wordt door de burgers van alle landen gelaakt en door Interpol vervolgd. Men legt eerder het loodje door te handelen in drugs dan door wapengebruik.

Er zijn ook politieke verslavingen. In een bepaalde periode van deze eeuw raakten velen verslaafd aan Hitler en het nazisme of aan Stalin en het stalinisme, wat heel wat mensenlevens heeft gekost. Vandaag de dag loeren het nationalisme en het fundamentalisme op onze gezondheid. Dit zijn de modieuze verslavingen van onze tijd.

Ik ken ook mensen die verslaafd zijn aan onschuldiger genoegens: aan kletsen, aan werkverzuim, aan geheime liefdesaffaires, aan cafébezoek, aan landloperij, aan lanterfanten. Mensen die gek zijn op chocola of chocoladetaart. Consumenten van drie pakjes sigaretten per dag, vijftien koppen koffie per etmaal, twee flessen wodka per dag. Ik heb excentriekelingen ontmoet die hun gezin opofferden aan hun passies: aan de literatuur of aan het spelen volgens een systeem, aan hun verzamelingen of het achternareizen van hun favoriete voetbalelftal, aan hun seksuele of religieuze manieën. We kiezen iets (of iemand) uit en geven ons daaraan over. We denken dat dit het mooiste en belangrijkste is in het leven. Bijvoorbeeld achter een vel schrijfpapier of een computer zitten. Op een keer kon ik door een rij ramen een aantal kamers inkijken. Ik zag een twintigtal wetenschappers achter evenveel beeldschermen zitten, van de vroege ochtend tot de late avond.

Slaven, computerfanaten, verslaafden. Maar wat ben ik zelf eigenlijk?

Waarom is een mens ergens aan verslaafd? Omdat hij iets bijzonders wil: uit zijn huid kruipen, zich bevrijden van de gedachte dat hij sterfelijk is, het waarneembare met al zijn zintuigen waarnemen, het bovennatuurlijke met het verstand vatten, zijn grenzen verleggen. Wat hij tot nu toe heeft bereikt of gedaan of ervaren, is hem niet meer voldoende, hij heeft behoefte aan het onbekende, dat in de schoot van morgen is verborgen. Zijn monniken, beroepsrevolutionairen of doodgewone carrièremakers ook geen verslaafden? De mensen trachten iets te bereiken, ze willen anders worden, machtiger, hun zorgen van zich afschudden, hun eigen ik verlaten, ze willen meer zijn dan ze zijn, zich door hun ideeën, successen, werk, geld, geloof boven zichzelf verheffen. Ze willen hoog in de lucht zweven, als deltavliegers, wier tijdschriften maar al te dikwijls een zwartomlijnd bericht bevatten.

Roes

Het begrip verslaving is onlosmakelijk verbonden met het begrip roes, met het begrip illuminatie. Geluk zonder zo nu en dan een roes is onbestaanbaar. Je losmaken van het eindige en de dood proeven, het onzegbare zeggen, het onkenbare bevroeden, uniek zijn als individu, met vijf miljard mensen om je heen! Zelfs twee dagelijks met elkaar ruziënde dametjes genieten van dit bedwelmende gevoel: 'Ik heb haar eens goed de waarheid gezegd, ik heb haar op haar plaats gezet, nu blijkt wie hier de baas is.' Degene van hen die de boventoon voert verkeert in een roes, voelt zich goed, amuseert zich, is niet bang. Wij houden van het leven en daaraan sterven we. En als we er niet van houden . . . sterven we eveneens.

De behoefte om in een roes te verzinken komt voort uit het gevoel begrensd te zijn, onvolmaakt te zijn, uit het verlangen om aan de dagelijkse zorgen te ontsnappen. Ze is dus eeuwig. Er bestaan geen beschavingen zonder verslaving, de druiven- en hennepteelt hoort bij de grond en overleeft politieke systemen en culturen. Elk genotmiddel kan op talloze manieren worden gebruikt. Het patroon van onze genietingen is evenzeer onderdeel van ons karakter als het patroon van onze deugden. De afhankelijkheid kent verschillende gradaties. Verschillende stemmingen wisselen elkaar gedurende ons leven af: matigheid, abstinentie, mateloosheid. Hoeveel mensen kennen we niet die ophouden met roken, drinken of snoepen: ze stoppen voortdurend totdat die ondeugd hun gezondheid heeft verwoest.

Is wie aan zo'n ondeugd sterft verslaafd? Bij elke dood kan men zich afvragen wie of wat ervoor verantwoordelijk is. We kunnen onze dood inderdaad zelf veroorzaken, maar doorgaans sterven we niet door eigen schuld, noch door morele tekortkomingen of lichtzinnigheid.

Heroïne is minder schadelijk dan machinegeweerkogels. Schieten is het expanderen van het ik, de absolute macht over een medemens. Met een geweer kan de nul alles worden, kan hij je lotsbestierder worden. Doodsroes in de meest vulgaire vorm. De mens is tot moorden in staat en verdedigt zich tegen het moorden; de tijdelijke compromissen tussen die twee neigingen noemen we beschaving.

Ook de coïtus is een verslaving: overgave van jezelf, ontkleding, de gevangene worden van een ander. Er bestaat geen goed huwelijk zonder verslaving. De echtgenoten kunnen niet zonder elkaar, de een erkent de superioriteit van de ander, maar de rollen van meester en (ver)slaaf(de), tiran en pantoffelheld kunnen snel gewisseld worden door de spelers. Ik heb ook vaak genoeg mensen aan hun huwelijk zien sterven, of liever gezegd: ze knapten erop af. Verslavingen houden het leven in stand. De tegengestelde beweging van addicere is zich terugtrekken. Dit heen en weer bewegen, dit aller-retour, dit pulseren is het leven zelf.

Het is bepaald onethisch dit gedachtenveld met ethische oordelen te ondermijnen.

Doodstraf

Van al deze verslavingen wordt de afhankelijkheid van bepaalde genotmiddelen nogal bizar beoordeeld door de publieke opinie. Wat zou er gebeuren indien in onze Europese steden de doodstraf zou staan op het gebruik van alcoholische dranken, als je voor het bezit van een fles drank zou opgepakt worden door de politie. Hoe zou het zijn als de regeringshoofden de koppen bij elkaar zouden steken en op internationale schaal maatregelen zouden treffen tegen het brouwen en drinken van bier? Toen de filosoof György Lukács in 1919 minister werd van de Hongaarse Radenrepubliek, verbood hij het produceren van wijn. Hij liet de cafés sluiten en toen de wijnboeren in opstand kwamen, liet hij het oproer met harde hand neerslaan door de revolutionaire gardisten. Drie maanden later ging de Radenrepubliek ter ziele. Laten we ons eens voorstellen dat de regering het roken van sigaretten strafbaar zou stellen. Dat zou uit het oogpunt van de volksgezondheid geen overbodige maatregel zijn, want er sterven meer mensen door het drinken van alcohol en het roken van tabak dan door het gebruik van drugs.

Als chocolade bijvoorbeeld onder een verbodsbepaling zou vallen, zouden veel mensen zich te buiten gaan aan het eten van chocola, ze zouden voortdurend aan chocola moeten denken en als ze de kans kregen, ondanks het verbod zo veel mogelijk chocola eten. En omdat door het verbod de prijs van chocola omhoog zou vliegen, zouden ze op illegale wijze trachten aan geld te komen om chocolade te kunnen kopen. Chocolade-maffia's zouden elkaar met wapens afslachten om de markt in handen te krijgen, zodat talloze mensen door de chocolade tot crimineel gedrag zouden worden verleid. Omdat we echter onbeperkt drank, sigaretten en chocolade kunnen kopen en omdat we weten dat het onmatig gebruik van deze genotmiddelen de gezondheid schaadt, gebruikt het merendeel van de mensen ze in matige hoeveelheden. Natuurlijk zijn er altijd lieden die een uitzondering op de regel vormen, en die lopen natuurlijk een grote kans om ziektes als levercirrose, longkanker of vetzucht te krijgen, maar als dat gebeurt, is dat niet het gevolg van het gebruik van een verboden genotmiddel en niemand zou het in zijn hoofd halen te eisen dat de producenten of de consumenten van deze middelen strafrechtelijk worden vervolgd.

We vinden het trouwens heel normaal dat de staat een graantje meepikt door bij de verkoop van dergelijke middelen accijns te heffen. En dat is ook begrijpelijk, de wet straft immers alleen de poging tot moord, niet die tot zelfmoord. De mens kan vrijelijk over zijn lichaam beschikken, hij heeft zelfs het recht dit te vernietigen. We kunnen er echter van uitgaan dat de overgrote meerderheid van de mensen prijs stelt op het leven en zichzelf niet van het leven wil beroven. Er zijn natuurlijk altijd zieke of afgestompte geesten die bijzondere risico's lopen: deze groep mensen kunnen we in beperkte mate helpen, maar een ongebreideld interveniëren in dergelijke gevallen is ongewenst. Je medemens ombrengen is verboden, jezelf ombrengen niet, het is hoogstens laakbaar.

Bodybuilding

Het streven naar bewustzijnsverruiming of naar roesachtige toestanden behoort juridisch gezien tot dezelfde categorie als het najagen van seksuele genoegens, waarvan de buitenechtelijke varianten niet in het strafrecht thuishoren. Mensen kunnen van alles met zichzelf doen - van bodybuilding tot tatoeëren - om meer aan hun eigen smaak of aan het een of ander ideaal te beantwoorden; ze kunnen zich overgeven aan het gebruik van bepaalde jargons of aan gevoelsepidemieën, aan heteroseksuele of aan masochistische praktijken, aan wellust of aan ascese. Aan al deze menselijke praktijken zitten goede en slechte kanten, maar laten ze tot het privé-domein behoren van de praktizerenden - het zijn tenslotte volwassen burgers. Wat onze medemensen roken of snuiven behoort - afgezien van een tactvolle belangstelling - niet het voorwerp van onze bemoeizucht te zijn.

Antropologen beschouwen sjamanen of mystici als verschaffers van waardevolle gegevens, hoewel ze allerlei verboden middelen gebruiken. Het zou nooit in ze opkomen deze mensen te vervolgen. De behoefte aan illuminatie is de behoefte aan geluk, en mensen gebruiken uiteenlopende methodes om gelukkig te worden. De roesachtige toestand is niets anders dan geluk, hij is van andere vormen van deze geestestoestand niet te onderscheiden of af te zonderen.

Uit het oogpunt der transcendentie beschouwd is zo'n toestand zondig, want hij bindt de mens aan het hier en nu, aan het immanente. Wie de hoogte heeft, voelt zich meer thuis in dit ondermaanse. Een snuifje of een slokje en we vinden de plaats waar we ons bevinden lang niet meer zo beroerd als tevoren. De roes maakt ons hier-zijn waarneembaar en leidt ons met zachte hand weg uit het ik, terug naar de wereld; hij verbindt de twee polen van ons bestaan - het immanente en het transcedente - met metafysische humor met elkaar.

Samenvattend: de wijze waarop iemand zijn leven verkort of verlengt is een privé-aangelegenheid en valt buiten de competentie van organen, belast met misdaadbestrijding. Overigens zullen hardnekkige, meer gewelddadige vormen van zelfdestructie juist gestimuleerd worden door bestraffing. Als het niet verboden is onszelf te schaden, zullen we misschien ook minder geneigd zijn dat te doen en zullen we het juiste midden weten te bewaren tussen goede en kwade zaken, tussen nuttige en schadelijke gewoontes. Indien de codificeerders van de fundamentele rechten van de mens dit uitgangspunt zouden aanvaarden, zouden ze het niet meer vanzelfsprekend vinden dat geüniformeerde personen de zakken van hun medeburgers binnenste buiten keren en daarbij als reden opgeven dat ze naar drugs op zoek zijn.