Wie lotos at die wilde lotos eten

De eerste notitie over verslaving is van Homeros. Hij laat de Griekse held Odysseus, koning van Ithaka, vertellen hoe zijn vloot aankomt bij een vreemde kust. Om de omgeving te verkennen stuurt Odysseus drie mannen op expeditie.

Zij gingen vlot op weg en vonden de

Lotofagen,

maar die Lotofagen gaven onze

vrienden -

niet dat zij daar iets kwaads mee

bedoelden - lotos te eten

en wie at van de honingzoete vrucht

van de lotos

wilde geen boodschap meer sturen,

wilde niet meer teruggaan,

die wilde lotos eten met de

Lotofagen

en de hele terugkeer naar huis

finaal vergeten.

Odysseus sleurt de luid jammerende verslaafden met geweld naar de schepen en geeft bevel onmiddellijk weg te roeien van de gevaarlijke kust, voordat nog iemand zijn thuisreis zou kunnen vergeten door lotos te eten. Dat doet hij uiteraard deels uit eigenbelang, maar het is vanuit zijn standpunt ook in het belang van de mannen voor wie hij als koning en aanvoerder verantwoordelijk is. Naar huis gaan, eindelijk naar huis gaan na tien jaar oorlog betekende alles voor de Grieken. Odysseus zelf slaat zijn thuisreis hoger aan dan onsterfelijkheid, eeuwige jeugd of een huwelijk met de schatrijke, mooie en jonge prinses van Scheria. Op het paradijselijke eiland van de nimf Kalypso staart hij verteerd van heimwee uit over de lege zee. De verliefde Godin probeert hem met al haar verleidingskunsten zover te krijgen dat hij zijn land vergeet:

maar Odysseus wil alleen nog maar

dood, zo kwellend

is het verlangen om desnoods alleen

maar wat rook te

zien die boven zijn vaderland

Ithaka opstijgt.

Zelfs als hij zonder zijn schepen en zijn onderdanen terugkomt en moet vechten tegen een grote overmacht om zijn eigendommen en zijn vrouw te heroveren, denkt hij niet aan vluchten. Hij zal overwinnen of het leven laten op Ithaka. Hoe zou Odysseus begrip kunnen hebben voor de onbekommerde lotoseters? Hij 'redt' zijn verdwaalde schapen van de vergetelheid.

Daarmee levert hij hen zonder het te beseffen uit aan een gruwelijk lot.

Uiteindelijk zal immers niemand behalve Odysseus de reis overleven, alle schepelingen sterven zonder uitzondering op een ellendige manier. Ze worden of als jonge hondjes tegen een rots te pletter geslagen door een goddeloze cycloop, of gestenigd en aan een spies geregen door menseneters, of levend opgekauwd in een bek met drie vlijmscherpe tandenrijen van het zeemonster Skylla, of ze verdrinken na veel pijn en moeite.

Het is de kracht van Homeros dat hij onbevooroordeeld registreert wat verslaafden en niet-verslaafden beweegt en wat het gevolg kan zijn van goede bedoelingen.

Wetgevers en hulpverleners hebben nog altijd veel te verantwoorden.

Na drieduizend jaar is met veel morele verontwaardiging en rigide wetgeving alleen bereikt dat de lotos een goudmijn is geworden voor misdadigers.