Verslaafd

Waarom is een mens ergens aan verslaafd? Omdat hij iets bijzonders wil: uit zijn huid kruipen, zich bevrijden van de gedachte dat hij sterfelijk is, het waarneembare met al zijn zintuigen waarnemen.

Dat is de opvatting van de Hongaarse schrijver György Konrád, die op verzoek van het Cultureel Supplement een essay schreef over verslaving, een privé-aangelegenheid. Meer auteurs vatten het begrip verslaving gunstig op. Leo Vroman schrijft: “Ik ben zo dol op deze aarde dat ik hoop ergens hier verslaafd aan te zijn.”

Men kan aan van alles verslaafd zijn, aan praten of kunst verzamelen, aan roem, chocola of het eigen spiegelbeeld, aan lezen, zelfs aan het modernisme kan men op een haar na te gronde gaan. Maar er zijn nog slopender verslavingen, zoals de immer dronken schrijver Malcolm Lowry heel goed wist. En er is 'het gedoe rond pilletjes, poedertjes, grasjes en klontjes' dat in de popmuziek lange tijd zo populair was en tot de verschrikkelijkste (maar volgens Roel Bentz van den Berg ook tot de mooiste) scènes heeft geleid. De junks op het Rotterdamse Perron 0 zijn weinig geneigd om hun verslaving te idealiseren. “Kijk,” fluistert verslaafde Azim over een tekening die hij net gemaakt heeft, “die kaars hier brandt langzaam op, net als ik. Hij gaat eraan!”

In dit supplement schrijven onder anderen K. Schippers, Imme Dros, J. Rentes de Carvalho, H.J.A. Hofland, Carel Alphenaar en K. Michel over vormen van verslaving.