Spopo's op het CS vissen naar 'heterdaadjes'

AMSTERDAM, 24 DEC. “Hier staan 's avonds de schandknapen”, gebaart Arie Overes naar een zuil in de hal van het Centraal Station van Amsterdam. “Daar omheen heb je dan, wat die jongens zelf noemen, 'de geilbuiken'. Oudere mannen die een beetje om ze heen lopen.”

Arie is van de Spoorwegpolitie, 'Spopo' in het jargon. Hij wijst op een lift waaruit vroeger dagelijks de spuiten moesten worden weggeveegd. Nu is er een camera op gericht. Omdat 'het visitekaartje van Amsterdam' wat smoezelig begon te worden, zijn de Nederlandse Spoorwegen vorige week een actie begonnen. Veiligheid voor en service aan de reiziger krijgen gedurende een maand extra aandacht. Steekproefsgewijs worden perrons afgesloten en mensen op hun vervoerbewijs gecontroleerd. Acht Spopo's in uniform houden voor iedereen zichtbaar het boevengilde in de gaten. Twee Spopo's in burger 'vissen' zo onopvallend mogelijk naar 'heterdaadjes'.

Ook Arie kan het 'vissen' niet laten. Rustig doorpratend volgt hij een ongeveer twintigjarige jongeman. “Je gooit een dobbertje uit en je wacht”, zegt hij. Wanneer de jongen stilstaat en schichtig om zich heenkijkt, loopt Arie hem voorbij. “Je moet je beweging afmaken en de neiging om stil te staan wanneer hij stilstaat, onderdrukken.” Een collega van Arie staat, vermomd als japanse toerist, op het perron waar de internationale treinen halt houden. Wanneer de zakkenrollers en de dieven zijn aanwezigheid door hebben en zijn vermomming 'stuk' is, gaat hij weer terug naar de politiepost. Daar zoekt hij weer een nieuwe vermomming uit.

Het CS is volgens Arie geen broedplaats van criminaliteit, maar er valt voor de beroepsdief het nodige te halen. “De pakkans is klein wanneer er geen gerichte acties zijn zoals nu”, zegt hij. “En de buit is soms groot.” Een collega van Arie herinnert zich een Arabier die aangifte deed van diefstal van een cheque aan toonder van één miljoen gulden. Arie: “Je ziet sommige rovertjes verwaarloosd het land binnenkomen en na een jaar kom je ze tegen, piekfijn in de kleren.” Daar hebben ze een heel arsenaal aan trucs voor open moeten trekken.

Tot de standaardtrucs behoort het 'ruiten-tikken'. Iemand op het perron tikt tegen het raam van een treincoupé en vraagt: 'Is dit de trein naar Schiphol?' Wanneer de passagier uitlegt waar de ruitentikker moet zijn, ontfermt een compagnon van de ruitentikker zich over de eigendommen van de reiziger.

Ook de 'smeertruc' is nog populair. Daarbij wordt ongemerkt mosterd op iemands jas gespoten. Het slachtoffer wordt er door iemand op attent gemaakt en als hij zijn tas op de grond zet om de smurrie weg te vegen, is dat de laatste keer dat hij de tas heeft gezien.

De dieven zijn veelal afkomstig uit Nood-Afrika en Oost-Europa. “Vaak hebben ze een paar lagen kleding aan om zich snel te verkleden als ze iets hebben buit gemaakt.” Door de druk van de Amsterdamse spopo's zoeken ze nu hun heil elders. De jongen op wie Arie zijn dobbertje had uitstaan, vertrekt naar Utrecht.

Arie beschrijft zijn tegenstanders als alert en brutaal. Voor de slachtoffers zijn de omschrijvingen minder vleiend. “Dure spullen worden opzichtig meegedragen, bagage wordt onbeheerd gelaten, mensen pellen aan de loketten voor iedereen zichtbaar bankbiljetten van dikke stapels af. Als je ze waarschuwt, krijg je vaak een grote mond.

De verhoogde activiteiten van de Spoorwegpolitie en het NS-personeel hebben tot zestig 'toegangsontzeggingen' geleid, “junkies, alcoholisten en zwervers”, die zich zonder geldig vervoersbewijs in het CS ophielden. Vanaf het begin van de actie zijn er “zes heterdaadjes” geweest. Er is al een daling van het aantal aangiften merkbaar. “Deze ochtend één, een Japanse toerist die zijn camera kwijt is. Normaal hebben we vier à vijf aangiften”, zegt Arie. Naast het aangifteformulier ligt een beduimeld spoorboek. Met grote letters staat erop: “Niet jatten!”