Nooit te betrappen op een dorre zin

A.J.P. Taylor was de meest begenadigde schrijver onder de diplomatieke en politieke historici van deze eeuw. Hij was een geleerde die altijd volle collegezalen trok en ook voor de televisie geboren was. Maar op politieke bijeenkomsten verkocht hij groteske lariekoek. Portret van een ijdele, eigengereide, gretig gelezen maar nooit geridderde Engels historicus.

Adam Sisman: A.J.P. Taylor. A biography 468 blz., geill., Sinclair-Stevenson 1994, fl.65,60

Is een historicus, meer in het bijzonder een historicus die de levens van ande ren heeft beschreven, zelf een biografie waard? G.M. Trevelyan gaf daarop een hartgrondig ontkennend antwoord. Historici, schreef hij in 1949, waren door hun weinig opzienbarende en ordentelijke leven zelden geschikt als biografisch materiaal, tenzij ze brieven of dagboeken van bijzondere kwaliteit of betekenis hadden nagelaten. Trevelyan zou zijn vakgenoot A.J.P. Taylor waarschijnlijk wel tot de geschikte uitzonderingen hebben gerekend, ook al verdienen zijn nagelaten brieven, blijkens Adam Sismans biografie van de controversiele Britse historicus, zeker niet de kwalificatie 'bijzonder'. Bij Taylor is veeleer van een omgekeerde volgorde van de vereiste kwaliteiten sprake: zijn leven was zeker zo opzienbarend als zijn werken, want het werd gekenmerkt door een internationale controverse over een van zijn boeken en door een warrig, verkreukeld liefdesleven dat bizarre en tragische dieptepunten kende.

In een zo overvloedige literaire cultuur als de Engelse - waarin het zelfs niet ongewoon is met biografische eerbewijzen aan tweederangs politici te smijten - is het alleszins gerechtvaardigd een vooraanstaande historicus als biografisch onderwerp te kiezen, en zeker een historicus wiens carriere zoveel toverbaleffecten had. Alan John Percival Taylor was immers niet alleen de eminente Lecturer uit Oxford die een geruchtmakende, vaak verkeerd begrepen geschiedenis over de Oorsprong van de Tweede Wereldoorlog schreef - een bestseller die in meer dan vijftien vertalingen werd gepubliceerd - maar ook een telegeniek geleerde met een ongeevenaarde voordracht, een scherpzinnige debater, een beunhaas in de politiek, een oorspronkelijk stilist en een ijdeltuit van een tamelijk zeldzaam soort. Over zo iemand zou een voor zijn taak berekende biograaf gemakkelijk een meerdelige levensgeschiedenis kunnen schrijven. Deze eerste biografie van de in 1990 overleden Taylor heeft onbetwistbare kwaliteiten. Het boek is voorbeeldig kort (zonder de annotatie net vierhonderd pagina's tekst) en leesbaar, het geeft een grondige ontstaansgeschiedenis van Taylors belangrijkste studies en het is professioneel gedocumenteerd. Wat me minder aanstaat is de naiviteit van de biograaf, die zich doet kennen door een zekere goedgelovigheid waardoor het boek te weinig weerstand biedt tegen de zelfingenomenheid en de grootspraak van de beschreven persoon. Taylor kon zichzelf wentelen in een literaire zelfverlustiging die hem soms potsierlijke trekken gaven. In zijn balsemende autobiografie (1983) wemelt het van de 'beste voordrachten ooit gehouden' en 'de beste toespraken ooit geschreven'. 'Welbeschouwd was ik de meest gerenommeerde (most distinguished) historicus in de hedendaagse geschiedenis aan de universiteit,'' schreef hij verbitterd nadat hij gepasseerd was voor de vermaarde Regius-leerstoel in Oxford. Om er onbedeesd op te laten volgen dat hij toch de enige historicus was die bekendheid genoot op de televisie, 'met een ongeevenaarde produktie van historische studies die over heel de wereld bijval hebben gevonden''.

Die ijdelheid wordt in Sismans biografie niet helemaal verzwegen, voor een deel geeft ze de man ook wel iets aandoenlijks, maar de humbug die Taylor vooral op het publieke domein kon verkopen heeft deze biograaf zich af en toe wat al te gemakkelijk op de mouw laten spelden. Ik geef toe dat het bij iemand die zijn standpunten met overweldigende welsprekendheid uitdraagt moeilijker is Wahrheit van Dichtung te onderscheiden dan bij een opsnijder met een beschroomde persoonlijkheid. Maar Taylor gaf wel erg hoog van zichzelf op en had vooral in debatten over alledaagse politiek (contemporaine politieke geschiedenis voor hem) de neiging zichzelf als een genie te zien en de anderen als ezels.

Uit Taylors geschriften waren die soms geestige, soms kinderlijke en zelden serieus te nemen uitvergrotingen van zijn belangrijkheid trouwens wel bekend, want men moest hem nageven dat hij ook wel de spot met zichzelf kon drijven. Zo poseerde hij graag als toeverlaat van de Tsjechische regering in ballingschap (de regering-Benes die in 1940-'44 dezelfde gastvrijheid in Londen genoot als de Nederlandse regering), maar in zijn autobiografie kan men lezen dat die rol in het geheel niets voorstelde. Hij had Benes in de oorlogsjaren vaak 'geadviseerd', maar men weet hoe dat gaat: alle in ballingschap levende regeringen waren in Londen tot niets doen gedwongen, ze waren op een schraal informatie-dieet gezet en maar al te dankbaar voor elk beetje inlichtingen of inzicht dat ze van een doorgaans beter geinformeerde Engelsman kregen. Taylor had het trouwens niet erg met Benes getroffen: die luisterde liever naar zichzelf dan naar anderen. Hij had Taylor alle keren de vraag gesteld hoe hij de oorlogstoestand beoordeelde, maar voordat deze antwoord had kunnen geven was hijzelf van wal gestoken om pas op te houden als de tijd voor de audientie weer om was.

Taylors naoorlogse verkenningen op actueel politiek terrein impliceerden, gegeven zijn intellectuele aanzien, echter ook minder verschoonbare ijdelheden. In zijn radiopraatjes voor het befaamde Third Program van de BBC, waarin hij in 1948 beurtelings optrad met E.H. Carr en Arnold Toynbee, orakelde hij van zijn Olympische hoogte groteske onzin over de toekomstige grootheid van de Sovjet-Unie (de kameraden die spoedig het economisch wonder tot stand zouden brengen) en over de ondergang van het kapitalistische Amerika (dat een economische catastrofe tegemoet ging). Het waren niet zozeer deze van weinig inzicht getuigende politieke prognoses die hem vijanden bezorgden, ook een geleerde kan zich weleens vergissen, maar veeleer de zelfverzekerdheid en de eigendunk waarmee hij zijn politieke imcompetentie aan de man probeerde te brengen. 'De militaire strategie en de buitenlandse politiek van de Amerikanen zijn niet begaan met onze veiligheid; het gaat hun er alleen maar om dit eiland te gebruiken als een vliegdekschip van waaruit atoombommen op Japan kunnen worden geworpen, en de Amerikanen realiseren zich zeer wel dat alle steden in Engeland en Japan ondertussen zullen worden vernietigd.''

Taylors boeiende verhandelingen vermengd met geleerde kletspraat mochten zijn populariteit bij een groot links publiek hebben gevestigd, ze schoten de meeste vakgenoten en vooral de eerste naoorlogse Labour-regering in het verkeerde keelgat. Herbert Morrison, Lord President of the Council (ministersrang) brak publiekelijk de staf over Taylors 'abjecte anti-Amerikanisme' en bulderde hel en verdoemenis over deze 'valse profeet' uit zijn eigen kringen. Toch liet de BBC hem niet vallen (hoewel hij tijdelijk van de microfoon werd geweerd), omdat hij intussen een miljoenenpubliek aan zich had weten te binden en bovendien de meest onderhoudende spreker was die de Corporation ooit in huis had gehad.

Taylor werd er niet een keer doch vele keren uitgegooid, maar op grond van zijn onmisbaarheid toch telkens weer gecontracteerd. Eerst bij de radio (toen die nog heer en meester over de ethergolven was) en later ook bij de televisie waar zijn ster als spreker bij wie miljoenen luisteraars aan de lippen hingen nog verder zou stijgen.

Taylor leefde ruim veertig jaar onafgebroken in twee publieke domeinen: in Oxford waar hij sinds 1938 les gaf in diplomatieke en later politieke geschiedenis - de vakken waaraan zijn enorme historiografische produktie ontsprong - en in de media. Hij schreef honderden boekbesprekingen en hield televisielezingen die hij weer grotendeels dienstbaar maakte aan zijn journalistieke en wetenschappelijke oeuvre.

Zou hij zich daartoe beperkt hebben, dan was hij intussen al enkele malen voor de Nobelprijs voorgedragen. Want op die terreinen was hij een even groot vakman als kunstenaar. Hij mocht omstreden denkbeelden hebben (waarvan zijn gelijkstelling van Hitlers buitenlandse politiek met die van iedere andere Duitser die in zijn plaats zou hebben gestaan nog de minst controversiele was) en naar moderne inzichten een ouderwetse orientatie op politieke leiders hebben, hij was een historicus die de feiten liet spreken. Zijn inzichten over de oorzaken van de beide wereldoorlogen werden gedragen door omvangrijk en grondig documentenonderzoek. En als stilist was hij onovertroffen. Men kan in zijn dertig boeken wel de nodige onzin aanwijzen, maar geen enkel hoofdstuk dat niet prachtig geschreven is. Hij was eenvoudig niet in staat, zoals de Times Literary Supplement eens schreef, tot het schrijven van 'a single dull sentence'.

Zijn geschiedenis van de ondergang van de Habsburg Monarchie vestigde in 1948 internationaal zowel zijn professionele als zijn literaire reputatie. Hij had die studie twintig jaar eerder al willen schrijven toen hij in Wenen studeerde maar de Oostenrijkse historicus prof. A.F. Pribram, een sceptisch geleerde onder wiens supervisie hij na zijn afstuderen twee jaar onderzoek deed, had zijn ambitie getemperd en hem de raad gegeven 'eerst de daarvoor noodzakelijke zeventien talen te leren en vervolgens tien keer zo lang te leven als een gewone sterveling''. Maar toen Habsburg Monarchy 1815-1918 verscheen, kreeg hij de hoogste lof van de historicus Oscar Jaszi. Die prees Taylor in de Journal of Modern History als een historicus met de zeldzame kwaliteit van iemand die een feitelijk relaas had weten in te kleuren met een hoge graad van psychologisch inzicht en artistieke verbeelding. 'Zijn verhaal is geen dode geschiedenis maar een dikwijls meeslepende analyse van persoonlijkheden en massa-psychologische gebeurtenissen.''

De vakwereld was al even geimponeerd door zijn biografie van Bismarck (1955), een revisionistische versie van de rol van deze grondvester van de Duitse eenheidsstaat, met wie hij een zekere geestverwantschap voelde. Maar afgezien van de psychologische rimram waaraan hij zich daarin overgaf toonde Taylor aan de hand van de documenten aan dat Bismarck niet de schepper van het Duitse oorlogsmonster noch de kwade genius achter de Duitse aspiraties naar de hegemonie over Europa was geweest, zoals de gangbare historische opvatting was. Bismarck was veel gematigder dan hij buiten Duitsland werd voorgesteld.

Zijn hoofdstelling dat staatslieden zelden werkten (en oorlog voerden) volgens zorgvuldig bedachte scenario's maar zich veel meer lieten leiden door opportunistische overwegingen en door de stommiteiten van de tegenstanders, werkte Taylor uit in zijn meest geruchtmakende boek, dat in 1961 furore maakte, de Oorsprong van de Tweede Wereldoorlog. Daarin betoogde hij dat Hitler in 1933 niet de macht had gegrepen, maar dat de politieke tendensen in de Weimar-republiek hem onontkoombaar in de kaart hadden gespeeld en dat de wereld zonder de zelfonthalzing van de Duitse democratie nooit van Hitler zou hebben gehoord. Volgens Taylor beschikte Hitler (die hij tot razernij van zijn critici ook nog 'staatsman' noemde) evenmin als Bismarck over een Grand Design om het Westen aan zich te onderwerpen. Mein Kampf nam Taylor zelfs in het geheel niet au serieux. Ook in zijn buitenlandse politiek had Hitler er volgens Taylor tot 1938 maar wat op los geimproviseerd, hoofdzakelijk gebruik makend van de blunders van Engeland en Frankrijk en van de kansen die Chamberlain c.s. hem gaven.

Bij zijn critici, in het bijzonder de Engelse en Amerikaanse historici die zich vastklampten aan hun traditionele voorstelling van Hitler als de uitvinder van het Kwaad, maakte Taylor zich nog eens extra gehaat met zijn these dat het kwaad in wezen geworteld was in het Verdrag van Versailles en dat ook Hitler een doorsnee slechte Duitser was, hooguit een graad of wat erger. Die stelling, die tot in de jaren tachtig gebundelde internationale tegenkritieken uitlokte en Amerikaanse historici inspireerde tot het organiseren van 'A.J.P. Taylor-debatten', stapelde Taylor vurige kolen op het hoofd. De uitlokker van dit alles had een groot deel van zijn wetenschappelijke loopbaan betoogd dat Duitsland verantwoordelijk moest worden gesteld voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar nu moest hij het aan zijn boek ontleende misverstand te lijf gaan dat hij Duitsland van verantwoordelijkheid voor de Tweede Wereldoorlog zou hebben vrijgepleit.

Valse bescheidenheid kende Taylor in het geheel niet. Als het erom ging zijn grote kwaliteiten te roemen, wilde hij wel de eerste zijn om aan die discussie mee te doen. Hij ging daarin zelfs zover het Festschrift, een boek met bijdragen van vele geleerden dat (Churchills officiele biograaf en Taylors leerling) Martin Gilbert voor zijn zestigste verjaardag samenstelde, zelf in The Observer te bespreken. 'Ik ben de enige die daarover onpartijdig kan oordelen,'' schreef hij. Het meest aangesproken voelde hij zich door de bijdrage van de economisch historicus Paul Einzig, die zijn televisievoordrachten over de Depressiejaren had afgebrand op grond van 'absoluut onvoldoende kennis van de economische feiten''. Einzig kreeg de erepalm voor 'de meest vernietigende aanval op de nauwkeurigheid van een historicus die ik ooit heb gelezen, en het ergste is dat de kritiek grotendeels verdiend is''. Taylor kon zelf ook verwoestend uithalen als een reputatie van een collega eraan geloven moest. Er waren maar weinig historici die zijn hoon misliepen, zo goed als er ook weinigen waren die hij echt bewonderde (de door Taylor zeer bewonderde Nederlander Pieter Geyl en verder alleen zijn landgenoot E.H. Carr). Lewis Namier was zijn grote idool geweest, maar die bestond niet meer nadat deze hem had 'verraden' in de benoemingskwestie over de Regius-leerstoel. Trevor-Roper, die met de eer ging strijken maar oprecht meende dat Taylor deze had verdiend, wist waarom Oxford Taylor niet gewild had: omdat hij vix papabilis was, niet gemaakt van de stof waarvan pausen worden gesneden.

Hoewel A.J.P. Taylor werd overladen met eredoctoraten en fellowships over heel de wereld, werd hij, ondanks een grote kring van 'friends in high places' (onder wie vele ex-leerlingen die het tot Lagerhuislid en minister hadden gebracht), nooit geridderd. Hij had net als zijn vriend Lord Beaverbrook wel in het Hogerhuis willen zitten om daar zijn oneerbiedige kritiek af te schieten op het Establishment (een term die hij volgens Sisman het eerst in omloop heeft gebracht), maar ook die verheffing ging aan zijn neus voorbij. Hij treurde daar niet echt om. Hij had, schreef hij, toch alleen maar willen worden voorgedragen om voor de eer te kunnen bedanken.

De grootste triomf beleefde hij in het succes van het meesterwerk dat hij voor de Oxford History of England had geschreven (English History 1914-1945). Na enige jaren ging dat boek als bestseller in de Penguin-reeks een tweede leven in. Dat had geen historicus uit de Oxford-bibliotheek ooit klaargespeeld. Daarom was dat een grotere eer dan een knighthood.