Muurkranten

Howard Rheingold: Virtual Community: Homesteading On The Electronic Frontier 300 blz., William Patrick 1993, fl.52,10

Dagelijks communiceren miljoenen Amerikanen met elkaar via computernetwerken als WELL, CompuServe, GEnie en Internet. De vergelijking met de zoen-, babbel- en sekslijnen die PTT Telecom steenrijk en honderden telefoonverslaafden doodongelukkig moeten hebben gemaakt ligt voor de hand. Toch gaat het niet louter om een onderonsje van 'contactbehoeftigen'. Academici gebruiken de verbindingen om informatie uit te wisselen en artikelen of catalogi te raadplegen. Gespreksgroepen voeren via de netwerken serieuze discussies over de meest uiteenlopende onderwerpen. Actiegroepen maken via het netwerk hun standpunten kenbaar; theoretisch kunnen miljoenen mensen gemobiliseerd worden. Zelfs president Clinton is sinds enkele maanden bereikbaar voor 'electronic mail'.

De meeste netwerken zijn digitale versies van Speaker's Corner in Londen, waar iedereen op zijn zeepkist zijn hart kan luchten. Maar er zijn ook besloten 'bulletin boards' en Multi-User Dungeons (MUDs): elektronische fantasiewerelden waarin de deelnemers een andere identiteit hebben. Het Massachusetts Institute of Technology heeft zelfs een deel van zijn Media Lab elektronisch nagebouwd. Men kan er door virtuele gangen lopen en er collega's groeten. Toch zitten die gewoon thuis achter hun PC. Computer-Mediated Communications (CMC) noemt men dat.

De journalist Howard Rheingold probeert dit fenomeen voor de buitenwereld te verklaren. Na zijn bestseller over virtuele realiteit - audiovisuele driedimensionale illusie - heet zijn nieuwe boek uiteraard Virtual Community. Toch dekt die vlag de lading aardig. Sommige netwerken zijn echte dorpsgemeenschappen, compleet met ruzies. En net als bij de zoen- en babbellijnen van de PTT leiden sommige contacten tot hechte vriendschappen en zelfs huwelijken. In de eerste hoofdstukken illustreert Rheingold aan de hand van zijn ervaringen met WELL, een netwerk uit San Francisco en omgeving, hoe de elektronische gemeenschap werkt. Ook wordt een overzicht gegeven van het ontstaan van de belangrijkste netwerken, waaronder Internet, dat 125 landen elektronisch met elkaar verbindt en van de academische wereld een 'global village' heeft gemaakt. Verder staat Rheingold uitvoerig stil bij de ontwikkelingen in Japan, Engeland en Frankrijk. Frankrijk is tot nu toe het enige Europese land dat dank zij de gratis verstrekte terminals van Minitel op wat ruimere schaal ervaring heeft met computergemeenschappen.

Rheingold hamert voortdurend op het unieke karakter van computernetwerken. Anders dan bij de massamedia wordt er namelijk geen selectie of censuur toegepast. Iedere deelnemer is zijn eigen uitgever. Spelregels ('netiquette') zijn moeilijk af te dwingen. Netwerken zijn dus echte muurkranten. Dat sommige discussies ontaarden in perversiteiten moet men maar voor lief nemen. Net als in zijn boek over virtuele realiteit ontkomt Rheingold er echter niet aan te waarschuwen voor cultureel verval, sociale schade en misbruik van macht. Ook in het elektronische Athene waakt Big Brother voortdurend over ons: het gedachtengoed van een hele natie is voor iedereen toegankelijk en de mogelijkheden voor misbruik zijn volgens de auteur dan ook eindeloos. Zo wil de FBI greep houden op de digitale communicatie door de informatiestroom decodeerbaar te maken, een ontwikkeling waartegen de lobbygroep Electronic Frontier Foundation van Mitch Kapor zich hevig verzet. Discussies over de schending van de vrijheid van meningsuiting zijn recentelijk weer opgelaaid nu in de Verenigde Staten de strijd is ontbrand om de toegang tot de elektronische supersnelweg van glasvezelkabels, waarlangs tot in het oneindige kan worden gecommuniceerd. Ook Rheingold vreest dat wanneer de computernetwerken door communicatieconglomeraten worden overgenomen de elektronische democratie in gevaar zal worden gebracht. Waarschijnlijk is die vrees even ongegrond als de angst voor maatschappelijke ontaarding. De studente uit Denver die via Internet liet weten zich van het leven te willen beroven kon na een twee uur durend elektronisch consult op andere gedachten worden gebracht. Sociale controle is de kurk waarop de elektronische samenleving drijft. Net als in het echte leven.