Mevrouw Justitia

E.A. Alkema en A.Ph.C.M. Jaspers, redactie: Lof der verscheidenheid, Rechtsgeleerden over vrouw en recht 222 blz., W.E.J. Tjeenk Willink 1993, fl.55,50

M.G. Rood, redactie: Rechters en politiek, Nationale en internationale beschouwingen 184 blz., W.E.J. Tjeenk Willink 1993, fl.52,-

Op de recente Wereldconferentie over mensenrechten in Wenen vormde de positie van de vrouw een bijzonder aandachtpunt. Dat was vooral door toedoen van de niet-gouvernementele organisaties, waarvan Amnesty International wel de bekendste is: de grass roots van de mensenrechtenbeweging, de spreekbuis van mensen als u en ik. Toch bleek op een manifestatie als opmaat voor Wenen in het Amsterdamse centrum Paradiso het speciale thema niet door iedereen te worden gewaardeerd. Mensenrechten zijn mensenrechten, zo luidde het bezwaar, en we moeten oppassen voor selectieve verontwaardiging. Is het niet al een veeg teken dat de consequenties van het vrouwenprotest zoek zijn? In het voormalige Joegoslavie worden de mensenrechten van vrouwen ontegenzeggelijk op schandelijke wijze geschonden. Toch kan men moeilijk alleen ten behoeve van vrouwen intervenieren. Dit soort bezwaren slaan volgens anderen de plank mis. Het punt is dat mannen en vrouwen op papier dezelfde rechten hebben, maar dat vrouwen in de praktijk vaak worden achtergesteld. Daarom is het bijvoorbeeld hoog tijd dat er een speciale VN-rapporteur voor vrouwen komt, net zoals er al dergelijke functionarissen zijn ingesteld voor foltering en 'verdwijningen'.

De tegenstelling die naar aanleiding van de mensenrechtenconferentie aan het licht trad, geldt natuurlijk voor het hele vakgebied van de juridische vrouwenstudies. De benoeming van mr. J.E. Goldschmidt op de eerste (bijzondere) leerstoel in dit vak aan de universiteiten van Leiden en Utrecht was voor achttien van haar nieuwe collega's aanleiding hun licht te laten schijnen over de verhouding tussen algemeen en bijzonder in het recht (voorzover men in het geval van de helft van het menselijk geslacht over dit laatste kan spreken).

Reservaat

Juridische vrouwenstudies gelden nog een beetje als een reservaat. Dat komt niet zozeer door het hameren op voorspelbare topics als gelijke behandeling van vrouwen in het sociaal recht en de strafrechtelijke aanpak van seksueel geweld als wel door het gevaar van overdrijving. Vooral het strafrecht heeft zich, in de woorden van een der auteurs, ontwikkeld tot 'een object van verlangen'. Dat is niet zo'n probleem zolang het er om gaat dat de instanties eindelijk eens behoorlijk tijd en aandacht over hebben voor vrouwelijke slachtoffers. Maar sommige beoefenaars van het vrouwenrecht gaan verder en achten rechtsbescherming van verdachten onverenigbaar met een betere behandeling van de slachtoffers van seksueel geweld. Al was het maar omdat het vaak een kwestie van het ene woord tegen het andere is.

Dat is het kind met het badwater weggooien. Typerend voor de strafrechtspleging is dat zij tegelijk schild en zwaard is, zoals dat is genoemd: het verdedigt de rechten van de burger maar doet dat met middelen die daarop een inbreuk maken. Dit geldt los van de vraag of het nu om mannen of om vrouwen gaat, maar is een inherent dilemma van iedere strafrechtspleging. Zorg voor de inwendige veiligheid van personen en goederen is een elementaire overheidstaak. Maar wie er het Europees Verdrag voor de Mensenrechten - het Charter van de moderne burger - op naslaat vindt toch vooral een serie afweerrechten van de burger(es) tegenover diezelfde overheid die juist op de bres dient te staan voor de verwezenlijking van deze elementaire rechten. De feministische variant van de krakersleus 'uw rechtsorde is de onze niet' belemmert het zicht op een aantal belangrijke vragen die bepaald verdienen aan de orde te worden gesteld. Deze betreffen de traditonele verhouding tussen het publieke en private domein in het recht, of de traditionele grens tussen de geldende abstracte rechtvaardigheidsethiek en de 'ethics of care'. Een ander voorbeeld: hoe stereotiep zijn niet sommige geijkte rechtstermen als 'werknemer'? In wezen stellen de vrouwenstudies in het recht afhankelijkheidsrelaties aan de orde en het hele recht kan zijn voordeel doen met nader onderzoek op dit punt. Of de vrouwen zelf daarmee veel opschieten is een tweede. Het zou wel eens kunnen zijn dat speciale aandacht voor vrouwen (of andere kwetsbare groepen) voor de betrokkenen zelfs een averechts effect heeft. In de jaren tachtig heeft de rechtspraak een hele reeks wetten uit het alfabet van de sociale zekerheid getoetst aan het gelijkheidsbeginsel: WUV, WWV, AOW, AAW, AWW. Toch bestaat op dit gebied de stellige indruk dat de vrouwen per saldo slechter af zijn dan voorheen. Het probleem zit niet zozeer bij de rechter, maar bij politieke besluitvorming die terugschrikt voor de (financiele) consequenties van de uitspraken. 'Even slecht is ook gelijk', is al gauw de reactie.

Tegenwicht

Het is geen wonder dat de rechtspraak over gelijke behandeling in de sociale zekerheid ook een rol speelt in de bundel opstellen over de verhouding tussen rechter en politiek, die het resultaat was van een lezingencyclus aan de Juridische Faculteit te Leiden. Daarbij valt nog speciaal te wijzen op het EG-Hof van Justitie, dat binnen de Unie (zoals het sinds Maastricht heet) onder vuur is komen te liggen wegens het te 'politieke' karakter van sommige uitspraken. De Top van Maastricht moest trouwens noodmaatregelen nemen om de financiele gevolgen van de geruchtmakende uitspraak over gelijke pensioenrechten voor man en vrouw in de zaak-Barber te neutraliseren. De Leidse bundel draagt verhelderend materiaal aan over de verbreding die de rechterlijke functie binnen het staatsbestel de laatste jaren heeft doorgemaakt. Buitenlandse vergelijkingen, waarvoor veel plaats wordt ingeruimd (de VS, Engeland, Rusland, Duitsland en Italie), illustreren dat dit niet een exclusief Nederlandse ontwikkeling is, en tegelijk dat de bandbreedte voor rechterlijke ontplooiing veel varianten toelaat.

Door de bank genomen kan de nieuwe rol van de rechter als 'politicus zonder partij' in Nederland zeker rekenen op publieke waardering. Een welkom tegenwicht voor een 'partijdige wetgever', die zijn handen heeft gebonden door starre regeerakkoorden. Ook als hij het zou willen kan de rechter trouwens niet uit onder zijn politieke rol, gezien het kaliber en de consequenties van sommige kwesties die hem worden voorgelegd. Ook stilzitten kan een politieke keuze zijn. Een goed voorbeeld is de belastingrechtspraak. Toch overheerst in de Leidse bundel een toon van terughoudendheid. De rechter moet er voor oppassen zich te profileren als 'wetgever plaatsvervanger', zoals dat is genoemd. Hem zou veeleer de rol passen van 'wetgever verkenner: de rechterlijke macht in de rol van vooruitgeschoven aftaster van een probleem dat nog onvoldoende helder en uitgekristalliseerd is om het in de gestolde regels van de wetgever te vangen.''

Vooral de politicoloog J.Th.J. van den Berg pleit voor zelfbeperking, al was het alleen vanwege het gevaar van 'repercussies' bij andere organen van de staat, in het bijzonder het ministerie van justitie. Zeker onder zijn huidige bewindsman heeft dat inderdaad een neiging de rol van rechterlijk toezicht te kleineren. Dat geldt al een tijdje voor de criminaliteitsbestrijding; meer recent is daar het asielrecht bijgekomen. Onder het mom van management en effeciency wordt ook geprobeerd de departementale bemoeienis met het functioneren van de rechterlijke organisatie op soms bedenkelijke wijze te vergroten. Maar dit soort overwegingen kunnen voor de rechter toch geen reden zijn recht te weigeren! Toegeven leidt trouwens toch alleen maar tot verdere concessies aan de rechterlijke onafhankelijkheid of op zijn minst tot onwenselijke misverstanden. Het is niet de eerste taak van de rechter de politieke autoriteiten te behagen, merkt de huidige minister van buitenlandse zaken P.H. Kooijmans op in een bijdrage over de beweerde politieke rol van de rechter in het internationaal recht. Misschien dat hij zijn collega Hirsch Ballin van justitie daar bij gelegenheid nog eens op kan wijzen.