Lach

Guido Vanheeswijck: Lachen om de wereld 212 blz., Kok Agora 1993, fl.32,50

Filosofen zijn meestal geen lachebekjes en wanneer zij over humor beginnen te praten is het oppassen geblazen. Het is hun element niet. De waarheid van het leven is een serieuze zaak en humor komt daarbij hoogstens als een gewaagd terzijde of een lichtzinnig tussenstapje te pas. In de laatste eeuwen is de filosofische omgang met de humor alleen maar ongemakkelijker geworden. De ironie die in de zestiende eeuw Montaigne nog zo leesbaar maakte moest het afleggen tegen de overtuiging dat de filosofie een hoge roeping te vervullen had, even streng en gewichtig als de wetenschap. En ook al is er de afgelopen honderd jaar meer over de lach gefilosofeerd dan ooit, er komt nog altijd heel wat bombast bij kijken wanneer de lach in het hart van de filosofische besognes wordt geplaatst. Niets zo naargeestig als het vreugdeloze schateren van Bataille of van Nietzsches Uebermensch.

De Vlaamse filosoof Guido Vanheeswijck heeft zich in zijn boek Lachen om de wereld wijselijk weerhouden van pogingen tot olijkheid. Helder en zakelijk loopt hij de geschiedenis van het Europese denken door om te laten zien dat het zoeken naar de waarheid steeds zijn tegenhanger vond in het besef van de betrekkelijkheid daarvan. Soms lagen die twee, als dogmatisme tegenover cynisme, ver uiteen. Dan weer lagen ze dicht in elkaar verstrengeld, zoals bij Montaigne aan het begin van de moderne tijd, en in onze dagen, aan het einde ervan. Misschien is de ironie van die verwevenheid voor filosofen wel te subtiel, heeft Milan Kundera ooit geopperd. Iets priesterlijks blijven filosofen altijd wel houden; wanneer zij zich tot de lach bekennen maken ze er licht een nieuwe religie van. Kundera maakte de romanschrijvers tot woordvoerder van de moderne lach om de waarheid, met Cervantes als hun aartsvader. Vanheeswijck heeft daar sympathie voor, maar toch is Kundera's sceptische lachen om de waarheid hem te nihilistisch. Liever dan Cervantes en Montaigne is hem Thomas More, die - schrijft hij - niet om maar vanuit de waarheid lachte. Diens moderne tegenhangers vindt hij in andere Tsjechen: Vaclav Havel en Ladislav Hejdanek, die bij de toekenning van een eredoctoraat door de Vrije Universiteit als een 'vrolijke filosoof' werd omschreven.

Net als More toonden zij de ernst van hun vrolijkheid in hun verzet tegen de macht; dat verleent hen in Vanheeswijcks ogen hun morele en filosofische superioriteit. Daarvoor is meer nodig dan de overtuiging dat de waarheid betrekkelijk is, meent hij. En dan gaan de zaken plotseling heel snel. 'Humor,' zo laat hij Hejdanek zeggen, 'is het eerste stadium van het geloof'. De keuze is voor of tegen God, zo mag George Steiner het argument afmaken.

Vanheeswijcks religieus panacee voor het moderne dilemma tussen waarheid en twijfel stelt, aan het eind van zijn erudiete filosofische tour d'horizon, nogal teleur. Lachen vanuit de waarheid hebben godsdiensten tenslotte altijd gedaan: zolang men zich in het geloof zeker wist, bood al het andere (vrijwel nooit het geloof zelf) dankbare stof tot vrolijkheid. Pas toen in de moderne tijd die zekerheid verdween, was ernst geboden, en sindsdien is de lach nooit meer helemaal onbevangen geweest. Of dat geloofsvertrouwen nog veel kans heeft terug te keren, is hoogst twijfelachtig. Zolang zal de filosofie wel blijven lachen als een boer die kiespijn heeft.