'Jezus Christus heeft ook emoties gekend'

Wie was Jezus van Nazareth? Een bijzonder mens? De vleesgeworden God? Volgens de meeste christenen was hij allebei. Hij was in ieder geval een historische figuur, al was hij zeker niet de enige joodse profeet aan het begin van de jaartelling. “We hebben al eens Theudas gehad, die beweerde iets bijzonders te zijn”, zei Gamaliël, leider der Farizeërs, kort na de dood van Jezus. “En daarna ook Judas uit Galilea. Hun bewegingen liepen dood. Laten we daarom de aanhangers van Jezus maar met rust laten en zien of het ditmaal wel standhoudt.” (Handelingen 5:34-39).

Weggedoken in zijn fauteuil, in een met boeken gevulde kamer in het dominicaanse Giordano Bruno-huis in Utrecht, spreekt pater Harry Salemans (70) op bedachtzame toon over Jezus van Nazareth. “Jezus is van zijn voetstuk gevallen. Maar daar vaart hij niet slecht bij, denk ik. Voor mij is het steeds duidelijker - en ook gevaarlijker - dat Jezus een mens was zoals wij, geen aparteling.” De tanige priester is al vijftig jaar dominicaan. Jarenlang was hij pastor en gaf hij bijbelcursussen.

“We zijn opgevoed met het beeld van Jezus als de Totaal Andere, uit een totaal andere wereld, van God - wat dat dan ook mag betekenen”, doceert hij. “Zijn geboorte liep heel anders dan bij ons. Zijn leven was vol daden die wij nooit zullen halen.” Salemans veert op. “Maar toch zegt die Jezus: volg mij na! Dat is een machteloos makende vraag. Hoe kun je iemand navolgen die van zo'n totaal andere allure is: Zoon van God, Messias, Emmanuel, aangekondigd door engelen, wonderdoener?”

In het betoog van pater Salemans klinken echo's van de bevrijdingstheologie uit Zuid-Amerika. “Jezus leerde: God staat aan de kant van de marginalen. De onderdrukten, de vertrapten. Hij beschouwde mensen in de eerste plaats als mènsen, pas heel ver daarna als melaatse, jood, niet-jood, tollenaar, of wat dan ook. De marginalen in die tijd knapten daar ongelooflijk van op, dat gaf een grote helende kracht. Dat zijn de genezingswonderen. Het ware leven is opkomen voor de zwakken.”

Maar lang niet iedere christen denkt zo over Jezus. In Soest woont dominee Reinier van Kooten (43), lid van de Gereformeerde Bond, de behoudende tak van de Hervormde Kerk. 's Avonds laat, in zijn ruime woonkamer met een orgel in de hoek, schenkt Van Kooten zich een glas bier in. Het is al laat, hij heeft er net twee uur catechisatie opzitten. Kort en bondig: wie was Jezus Christus? Van Kooten: “Waarachtig God. En tegelijk waarachtig en rechtvaardig mens. Hij is niet uit de wil van de man geboren, maar uit de wil van God - een maagdelijke geboorte dus.” Christus is voor hem de verlosser, die de straf van God draagt die wij mensen door Adams Zondeval hebben verdiend. “Ik zeg dus niet dat hij in de eerste plaats zo'n mooi voorbeeld voor ons is of zo. Dan schiet je het eigenlijke voorbij.” En dat eigenlijke is: “Dat hij degene is die in onze plaats sterft. Zonder die verlosser zijn wij verloren.”

De discussie is al zo oud als het christendom. Tegenstanders van het christendom legden de nadruk op de menselijke kant van Jezus. De Romeinse auteur Celsus (circa 180), bijvoorbeeld, vermeldt het kwade gerucht dat Jezus de onwettige zoon was van Maria en een Romeinse legionair. Joden - en later ook moslims - verweten het christendom een drie-godenleer: Vader, Zoon en Heilige Geest. In de Koran figureert Jezus als een van de vijf grote profeten van de islam.

Aan de andere kant werd de zuivere goddelijkheid van Christus ('de gezalfde', de Griekse vertaling van het Hebreeuwse 'messias') vaak door ketterse sektes verdedigd. Volgens de sterk neo-platoons beïnvloede gnostici verbleef de goddelijke Jezus slechts “als schim” op aarde. In 'apocriefe' evangelies - die buiten het Nieuwe Testament zijn gebleven - komen verhalen voor waarin Jezus als kind zijn goddelijkheid op tirannieke wijze uitleeft. Volgens het evangelie van Thomas bijvoorbeeld sloeg hij als jongetje mensen dood om ze vervolgens 'voor de lol' weer op te wekken. Ook veranderde hij kinderen in geiten als ze niet met hem wilden spelen.

De 'katholieke' christenen probeerden intussen de combinatie van beide naturen in Jezus angstvallig te redden. Eindeloze, onnoemelijk subtiele theologische discussies over de precieze verhouding tussen God en mens waren het gevolg. De strijd liep hoog op. In de vierde eeuw, toen het christendom staatsgodsdienst werd en voluit de gelegenheid kreeg voor dogmatisch debat, werd zelfs op straat geruzied over de vraag of God in essentie nu 'gelijk' was aan Christus, of 'identiek', twee begrippen die in het Grieks slechts één letter verschillen (homoousios en homoiousios).

Tweeduizend jaar later noemt dominee Van Kooten het samengaan van mens en God in Jezus een “godsgeheim”. “En godsgeheimen hoef ik niet te begrijpen”, zegt hij lachend. “Op het concilie van Chalcedon in 451 werd vastgelegd dat de twee naturen van Jezus ongescheiden zijn en onvermengd. Maar zijn mensheid staat op de voorgrond. De macht en majesteit van zijn godheid hebben zich niet voortdurend gemanifesteerd, die breken alleen soms door als hij zonden vergeeft of doden opwekt. Het blijft een mysterie, maar daar heb ik geen moeite mee.”

Hoe menselijk was die menselijke kant? “Jezus was een echt mens, zoals Adam in het begin - zondeloos”, zegt Gerard de Korte (38), pastor van de Kathedrale Kerk van het aartsbisdom Utrecht en rector van Ariënsconvict, waar de priesterstudenten van het bisdom verblijven. “Hij heeft dus ook emoties gekend. Hij huilde bij het graf van Lazarus en hij werd kwaad op de geldwisselaars in de tempel. Bij de bruiloft van Kana zal hij ook zeker gelachen hebben, want dat was een vrolijke boel. Hij had zelfs verliefd kunnen zijn, dat is geen zonde. Maar ik denk niet dat hij het geweest is, want hij was te veel vervuld van het Koninkrijk Gods.”

Buiten de christelijke geschriften is zeer weinig te vinden over Jezus. Soms was het de Romeinen ook niet helemaal duidelijk dat Christus al dood was toen het christendom zich begon te verspreiden. Suetonius (75-160) schrijft in zijn biografie van keizer Claudius dat deze rond het jaar 50 de joden uit Rome bande omdat ene 'Chrestos' hen voortdurend aanzette tot onlusten. De joods-romeinse historicus Flavius Josephus (circa 37-100) wijdt in zijn lijvige geschiedenis van het jodendom één alinea aan Jezus. Hij spreekt van “een wijs man”, die “verrassende daden” verrichtte. Of Josephus dit echt zo opschreef, is onduidelijk. Zijn tekst is tenslotte bewaard door christelijke monniken en die hebben mogelijk met de tekst geknoeid. Voor de authenticiteit van de tekst pleit wel dat Jezus een 'wijs man' wordt genoemd, in de christelijke traditie een ongebruikelijke aanduiding.

Een bijzondere band met God werd in Jezus' tijd in Palestina wel vaker opgeëist. Flavius Josephus somt een groot aantal predikers en profeten op uit de tijd van Jezus, van wie Johannes de Doper wel de bekendste is. Ongeveer 50 jaar voor het begin van de jaartelling verweet een prominente Farizeër de joodse 'wondermens' Honi - befaamd om zijn regenwonderen - dat hij God manipuleerde. Tijdens Jezus' leven verzamelde de profeet Theudas zijn volgelingen in de woestijn om naar de Jordaan te marcheren: God zou die voor hen openen, zoals eerder de Rode Zee. De Romeinen, bevreesd voor rebellie, doodden een aantal van Theudas' volgelingen en keerden naar Jeruzalem terug met het afgeslagen hoofd van de profeet. Een andere profeet uit die tijd, bijgenaamd 'de Egyptenaar', beloofde zijn volgelingen dat de muren van Jeruzalem zouden omvallen als zij er omheen zouden lopen, zoals eens de muren van Jericho. Ook aan die plannen maakten de Romeinen een eind. Het lot van deze profeet is onbekend.

Buitenstaanders zagen niet veel verschil tussen de profeten. De Romeinse commandant van Jeruzalem zag bijvoorbeeld de christelijke apostel Paulus voor 'de Egyptenaar' aan (Handelingen 21:38). Er waren zelfs andere predikers met de naam Jezus. Ongeveer dertig jaar na de kruisdood van Christus schreeuwde Jezus van Ananias in de tempel uit dat Jeruzalem en de tempel vernietigd zouden worden. Hij werd aangehouden wegens ordeverstoring, gegeseld en overgedragen aan de Romeinen - maar hield niet op de ondergang van de stad te voorspellen. Uiteindelijk liet de Romeinse procurator Albinus hem vrij, omdat hij hem als getikt beschouwde.

Onderzoek naar de historische Jezus begon in de achttiende eeuw, toen de leraar oosterse talen Samuel Reimarius de stelling poneerde dat Jezus helemaal niet verwachtte aan het kruis te sterven - zoals de bijbel vertelt - maar dat die dood zijn mislukking betekende. De discipelen stalen vervolgens het lijk en probeerden via een opstandingsverhaal nog te redden wat er te redden viel. In de negentiende eeuw werd Jezus door godsdienst-historici vooral gezien als een morele leraar. Begin deze eeuw legde de arts-theoloog Albert Schweitzer in zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung de nadruk op Jezus' verkondiging van het Einde der Tijden. Die lezing kreeg steun door de vondst in 1947 van de Dode-Zee-boekrollen, afkomstig van de strenge joodse sekte van de Essenen, tijdgenoten van Jezus. Ook zij leefden in afwachting van een spoedig Einde der Tijden.

Hoeveel van de woorden in de bijbel kunnen nu daadwerkelijk aan Jezus worden toegeschreven? De evangelies zijn pas decennia na de dood van Jezus opgeschreven, op basis van mondelinge tradities. Als in die overlevering uitspraken al intact zijn overgeleverd, dan nog is de kans groot dat ze uit hun verband zijn gerukt. De Amerikaanse hoogleraar Marcus Borg publiceerde afgelopen maand het boek The Five Gospels: The Search for the Authentic Words of Jesus, waarin wordt betoogd dat tachtig procent van de 'uitspraken van Jezus' later is toegevoegd. Het werk ontketende een storm van protest onder Amerikaanse fundamentalistische christenen - een predikant uit Indiana heeft aangekondigd zondag, tweede kerstdag, bij wijze van protest kranten te verbranden die er een artikel aan hebben gewijd.

Op minder protest stuitte totnutoe de Amerikaanse nieuwtestamenticus E.P. Sanders, een van de vooraanstaandste kenners van het eerste-eeuwse Palestina. Sanders beschrijft Jezus in zijn recente boek The historical figure of Jesus als net zo'n wonderprofeet als Honi of Theudas. De “charismatische en zelfstandige” profeet Jezus was eerst een volgeling van Johannes de Doper, een boeteprediker die vaak wordt geassocieerd met de Essenen. Maar Jezus was geen Esseen. Zijn opvatting van de joodse wet was veel losser dan de Esseense en hij was ook geen asceet als Johannes de Doper, die gekleed ging in kleding van kamelenhaar en wilde honing en sprinkhanen at.

Sanders noemt het “buitengewoon waarschijnlijk” dat Jezus een grote reputatie genoot als excorcist. Het grootste deel van zijn wonderen bestond uit duiveluitdrijvingen, van andere predikers uit zijn tijd zijn dergelijke duiveluitdrijvingen niet overgeleverd. Jezus' familie was er niet erg gelukkig mee. De evangelist Marcus vertelt dat ze hem eens gingen halen toen hij weer bezig was met geestuitdrijvingen, omdat ze bang waren dat hij ook zelf gek zou worden. Ook in het boek Handelingen van het Nieuwe Testament komen de joodse duiveluitdrijvers er niet zo best van af. De meeste Galileërs zagen Jezus volgens Sanders als een heilige man, 'een zoon van God', een titel die in die tijd niet meer betekende dan dat hij 'het oor van de Vader in de hemel had', net als Honi een eeuw eerder. Wonderen werden in het jodendom niet beschouwd als een bewijs van goddelijkheid - evenmin als in de Grieks-Romeinse wereld.

Waarom, vraagt Sanders zich af, werd Jezus tijdens zijn leven eigenlijk voortdurend verweten dat hij omging met 'marginalen' als tollenaars, prostituées en zondaars in het algemeen. Zondaars oproepen tot berouw was immers niet zo opzienbarend. Wel nieuw was dat Jezus de tollenaars onthulde dat God van hen héld. Tegen anderen zei hij dat tollenaars juist eerder in het Koninkrijk der Hemelen zouden worden toegelaten dan 'de rechtvaardigen'. “Mensen moeten perfect zijn, maar God is vergevingsgezind”, vat Sanders het evangelie van Jezus samen. Volgens de historicus werd Jezus gekruisigd omdat hij tijdens de drukte van de paasweek in Jeruzalem had voorspeld dat de tempel aldaar - in het jodendom van die tijd van centraal belang - zou worden verwoest. De joodse autoriteiten, verantwoordelijk voor de openbare orde en beducht voor relletjes zoals wel vaker uitbraken in de paasweek, lieten Jezus aanhouden en droegen hem over aan de Romeinse procurator Pilatus, de enige die het recht had doodvonnissen te vellen. Dat Jezus zou zijn gearresteerd wegens theologische meningsverschillen met de joodse autoriteiten acht Sanders zeer onwaarschijnlijk. Dergelijke conflicten leidden nooit tot arrestaties. De Farizeërs, Jezus felste joodse tegenstanders, komen in het kruisigingsverhaal niet of nauwelijks voor.

“Misschien is Jezus teleurgesteld gestorven”, schrijft Sanders, want het koninkrijk Gods was niet aangebroken. Maar zijn volgelingen gaven het geloof niet op. Zij raakten ervan overtuigd dat Jezus uit de dood was opgestaan, ook al zijn er tegenstrijdige berichten wie hem het eerst weer had gezien. Moedwillig bedrog acht Sanders onwaarschijnlijk, maar wat er precies is gebeurd is niet meer te achterhalen. Ook de evangelies vertellen overigens geen ondubbelzinnig verhaal: aanvankelijk werd de herrezen Jezus niet herkend door zijn volgelingen. Hij lijkt ook niet helemaal van vlees en bloed te zijn: als hij de hardnekkig sceptische Thomas komt overtuigen treedt hij een kamer binnen waarvan alle deuren gesloten zijn.

De 'fysieke' opstanding uit de dood wordt algemeen gezien als de kern van het christendom. “Als de historische Jezus niet uit de dood is opgewekt, verkopen wij onzin”, zegt dominee Van Kooten. Dat in het christendom geen grafcultus is ontstaan, is volgens pastor De Korte een bewijs dat het graf “daadwerkelijk leeg” was. “Maar de opgestane Jezus was geen levend lijk. Zijn dode lichaam werd omgevormd tot een nieuw opstandingslichaam”, aldus De Korte. Dominee Casper van Dongen (46), hervormd predikant in de Duinzichtkerk te Den Haag, denkt er net zo over: “Ik geloof wel dat het graf leeg was, maar daar gaat het niet om. Biologische feiten interesseren me niet. Voor mij is elke dag een opstandingsdag. Het is het geloof dat er altijd opstanding mogelijk is, in wat voor omstandigheden je ook verkeert. Er is altijd verandering mogelijk.”

Maar pater Salemans denkt niet dat het graf werkelijk leeg was. “De bijbel vertelt dat de vrouwen Jezus levend hebben gezien bij zijn lege graf. Maar wat is zien? Ze zijn door de feiten héén gaan kijken. Hier is hij niet, zegt de engel in het evangelie, waarom zoek je de levende bij de doden? Maar ik denk wel dat er het lichaam van Jezus heeft gelegen. Ik ontken de opstanding niet, maar wel dat je die kunt zén. Het is niet uit de duim gezogen, het verhaal vertelt wat er met die mensen is gebeurd. Het ging erom dat Jezus' ideaal van opkomen voor gemarginaliseerden bleef voortleven. En dat hebben ze er ook niet uitgeslagen, ook later bij Martin Luther King niet, of bij Oscar Romero. Romero zei: alleen opkomen voor de marginalen is echt leven, ook al wordt het mijn dood. Jezus is een levensgevaarlijke herinnering.”