Jezus

H.M. Kuitert stapt in zijn bespreking (in de boekenbijlage van 18-12-1993) van het boek van E.P. Sanders wel zeer gemakkelijk over het idee heen dat de mensen die zeiden dat ze Jezus na zijn dood hadden gezien, aan masssahysterie leden.

Blijkbaar wil Kuitert een kern van godsgeloof (en van geloof in Jezus) redden uit de handen van de sceptici en de cynici. Maar wat wil Kuitert precies redden? Het (overigens foute) filosofische idee dat er toch nog ergens zoiets als een God bestaat? Of een soort mystiek gevoel? Ik vermoed het laatste. Maar waarom zou een gevoel per se naar iets in de buitenwereld moeten verwijzen? Moet een gevoel per definitie een ervaring van iets zijn? Is een zogenaamde godservaring eigenlijk geen symptoom van een vorm van schizofrenie (schizofrenie in de psychiatrische betekenis)? Kuiterts probleem met het godsgeloof wordt wellicht opgelost als hij het idee van verwijzing laat vallen. Gevoelens, hoe diep ook, mogen zichzelf genoeg zijn en hoeven niet gefundeerd te worden in de buiten- of de bovenwereld. De hemelen zijn vol van leegte. De mens staat alleen met zijn gevoelens. Maar laat hij blij zijn dat hij autonoom is en niet is overgeleverd aan de luimen van een ondoorgrondelijke God. Laat hij zichzelf aanvaarden in een aanvaarding die diepe voldoening schenkt: ik ben die ik ben... het zij zo.