Iemand om mee te praten

Aan de oever van een waterplas bevinden zich twee mannen op een houten vlondertje.

De een staat, de ander zit en is aan het vissen. Aan de kleur van het licht, donker goud, een beetje vermoeid, kun je zien dat het een uur of zeven op een zomeravond moet zijn. Zegt de staande man: “Het is een schone dag geweest.” “Ja,” antwoordt de ander na een tijdje, “een heel schone dag.” “Zo'n schone dag hebben we in lange tijd niet gehad.” “Nee,” antwoordt de ander bedachtzaam, “da's allang geleden.” “Het is een heel schone dag geweest,” besluit de een. “Ja,” antwoordt de ander. Dit handjevol zinnen, uitgesproken in Zeeuwsvlaams dialekt, die u in enkele seconden leest, duren ruim een minuut in de film waarvan dit een scène is, die ik hier uit het geheugen opschrijf.

In de bioscoop begonnen veel mensen bij deze trage dialoog te lachen, terwijl hij mij juist diep ontroerde. Iets groots werd hier op ontoereikende wijze verwoord. Maar juist daardoor voelde je de onbedwingbare drang om het tòch te proberen en mede te delen des te sterker.

Deze scène trof mij bijzonder omdat ik die manier van spreken goed ken. Mijn ouders komen beiden uit de streek waarin de film speelt. Ik herinner mij levendig hoe ik vaak tussen de druivenranken in de glazen kas zat met mijn opa en hij verhalen vertelde over de Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en over zijn jonge jaren als onderwijzer, verhalen gelardeerd met dalende en rijzende stiltes. Overigens waren de druiven verrassend vol en sappig. Ze konden zonder moeite wedijveren met de Franse of Griekse. Maar goed, de verslaving die ik hier wil bekennen is minder spectaculair dan het telen van druiven in Zeeuws-Vlaanderen, maar het is wel iets waaraan ik volledig ben overgeleverd. Zoals vogels vlak voor de dageraad het aanbreken van de dag luid kwetterend vieren, zo moet ik praten en vertellen. Het maakt eigenlijk niet uit waarover, praten met iemand is een handeling waarvan ik wakker word, heel helder, een vreemde euforische toestand. Alles komt los, alles gaat lekker trillen en meebewegen op het ritme van het gesprek. Praten is als het maken van muziek die ter plekke ontstaat. Jazzzzz!

Meerdere malen heeft de praatlust mij het leven gered. Bijvoorbeeld op de lange nachtelijke autoritten met mijn vriend Niek op de terugweg uit Frankrijk. Stoppen om te rusten wilde hij namelijk nooit, dwarshoofdig als hij is. Telkens als hij in slaap dreigde te sukkelen begon ik een idiote anekdote te vertellen om hem wakker te houden. Slechts de meest bizarre verhaalwendingen behoeden ons voor een eeuwig verblijf in de vangrail. En ik herinner mij een incident in de Barrio Chino in Barcelona waarbij een man na een kletsverhaal waarin ik alle sentimentele registers beroerde zijn mes weer opborg en we als vrienden uit elkaar gingen.

De bekende quizvraag: “Wat zou je meenemen naar een onbewoond eiland,” zou ik niet beantwoorden met boeken, niet met muziek, maar met Vrijdag, iemand om mee te praten. En om mee te kunnen zwijgen, want samen zwijgen is ook een 'kick'.

Het lijkt me dan ook een verschrikking om niet te kunnen praten, zij het met je handen of met je ogen, een abstract vacuüm, een hel van niksigheid. In Der Spiegel las ik onlangs een artikel over het verdwijnen van inheemse talen. Van de ruim 6000 levende talen zal zo'n negentig procent uitsterven voor het einde van de volgende eeuw, zo schatten wetenschappers. Oorzaken hiervan zijn de moderne media, het verkeerswezen en de toenemende 'Vereinheitlichung' van de wereld. Prof. Krauss betitelt de televisie als 'cultureel zenuwgas' omdat de televisie de staatstaal opdringt in landen met verschillende taalgroepen. Het verdwijnen van de talen kun je vergelijken met het uitsterven van diersoorten. Als voorbeeld wordt het Ubych genoemd, een Kaukasische taal met 80 consonanten, waarvan de laatste spreker een paar maanden geleden overleed, en die nu reddeloos verloren is.

Wat moeten de laatste levensdagen van die man verschrikkelijk geweest zijn. Ik stel me hem voor, zittend voor zijn huis terwijl hij een pijpje rookt. Niemand die hem begrijpt, niemand die ziet wat hij verwoordt. Geen mens om in het Ubych tegen te zeggen “het is een schone dag geweest.” En niemand die antwoordt: “Ja, een hele schone dag.”