Geleende roem; De terugkeer van mevrouw Kops

Mevrouw Kops snakte naar roem en beroemdheid. Een pianist, iemand die recepten voorlas op de radio, een afgezakte toneelspeler - elk openbaar bestaan was voldoende om haar interesse op te wekken. Ze leek echter nooit dichterbij de roem te komen die zij zo bitter ontbeerde.

Mevrouw Kops moet zich in het trapportaal, als ik op de arm van mijn moeder zat, vaak over mij hebben gebogen. Haar vriendelijke ogen, dansende bruine krullen en lichte stem sleten zich langzaam in mij. Ik maakte nog geen onderscheid tussen het plafond, de trap en mevrouw Kops zelf. De verschillen ontstonden toen ik ouder werd.

Zij woonde vlak boven ons en klopte wel een paar keer per dag op de deur om iets te vertellen, om een beetje suiker of ander voedsel te lenen, maar ze werd nooit binnengelaten. Mijn moeder stond haar te woord en tegelijkertijd vond ze het bezoek aan de deur iets beneden de maat. Wat mevrouw Kops te zeggen had, was niet echt belangwekkend en toch wilde zij het niet missen.

Op een avond hadden mijn vader en ik boven de daken in de verte een vliegtuig neer zien storten. Het was een prachtig gezicht. Voor het viel had het al een sluier van brandend licht.

Die nacht zaten we weer eens met z'n allen op de trap. Het scheen dat die het langst bleef staan als het huis door bommen werd getroffen.

“Wat zou Jopie Koopman nu doen?” vroeg mevrouw Kops.

“Misschien zit ze ook op de trap net als wij,” zei m'n moeder.

“En Lily Bouwmeester?”

“We zien ze vast wel weer.”

Mijn moeder zei niet veel. Nu ze naast mevrouw Kops zat leek het of ze haar toch ontving en dat had ze tot nog toe weten te vermijden.

Een paar jaar later fietste meneer Kops weer op luchtbanden naar zijn werk. Hij droeg een hoed en een geklede jas, stapte prachtig op, een voet op het pedaal, een paar vlugge passen met de andere voet, de fiets kreeg al vaart, daar zwaaide het andere been hoog over het zadel naar de tweede trapper en meneer Kops verdween uit het gezicht.

Fietsers aan het eind van de jaren veertig, begin jaren vijftig. Tientallen heren gingen 's morgens vroeg vanuit mijn straat naar hun werk en ze leken zo op elkaar dat het een wonder was dat ze niet allemaal op hetzelfde kantoor werkten.

Als ik ziek was kreeg ik een bed in de kamer en dan hoorde ik de gesprekken van mijn moeder en mevrouw Kops bij de deur. Zij had een mooie stem waar ik graag naar luisterde. Heel vaak ging het over een filmster of over de radio, die bij ons vaak en bij mevrouw Kops altijd aanstond.

Ze had een recept van mevrouw Lotgering-Hillebrand niet helemaal kunnen volgen. Misschien had mijn moeder het ook gehoord en kon ze haar nog aan een paar bijzonderheden helpen. Ook de maaltijden van de radio-kok P.J. Kers werden uitgebreid doorgenomen.

Zelfs Kers' deftige nasale stem ontkwam niet aan hun commentaar. Het ging mevrouw Kops niet alleen om de recepten. Ze was vooral onder de indruk van de populariteit van haar grote voorbeelden. Ze giste naar hun persoonlijk leven en probeerde het karakter van de voedseldeskundigen te doorgronden.

In die tijd was er in de krant en het geïllustreerde weekblad nog niet veel nieuws over een ster te vinden. De pers eerbiedigde zijn persoonlijk leven min of meer. Toch sijpelde er wel eens iets door over een tragische liefde, een plotselinge ziekte of een onverwachte misstap.

Met die berichten vermenselijkte mevrouw Kops haar sterren. In elk gesprek bij de deur benadrukte zij, zonder het misschien zelf te weten, dat een vedette of een komiek door dezelfde grote en kleine rampen kon worden getroffen als een willekeurige bewoner van onze straat.

Zij verschilden wat dat betreft niet van een gewoon mens. Elke beenbreuk, dodelijke ziekte of vervlogen liefde van haar helden en heldinnen gaf mevrouw Kops de kans als een gelijke over hen te praten, zo groot was haar zucht naar een zekere persoonlijke bekendheid. Door de gelijkschakeling leende zij hun roem.

Radioster

Vierentwintig bomen verderop woonde haar broer, een sombere man met een hoed, een fiets en een geklede jas. Hij moest niet veel van mevrouw Kops hebben en kwam zelfs niet op haar verjaardag. Net als mijn vader leek hij haar ellenlange monologen te vrezen. Voor het leven van een radioster had hij geen enkele belangstelling.

Juist door deze broer kreeg mevrouw Kops toegang tot de wereld die zij zocht en die anders voor haar gesloten was gebleven. De zoon van haar broer was een verdienstelijk pianist. Net toen de oorlog in Korea uitbrak werd hij lid van een orkestje dat regelmatig voor de radio optrad. In de studio en de kantine zat hij soms vlak naast de artiesten die mevrouw Kops zo hogelijk bewonderde.

De jongen was een jaar of twintig en woonde nog bij zijn ouders thuis. De belangstelling van mevrouw Kops moet zijn vertrek uit de straat hebben vervroegd. Als ik uit school kwam stonden ze vaak voor ons huis te praten. In de ogen van de jongen was maar één gedachte te lezen: hoe kom ik hier vanaf, hoe kom ik in vredesnaam van haar af.

Haar broer stierf, meneer Kops stierf en de pianist woonde ten slotte samen met een twintig jaar jongere omroepster in de buurt van de radiostad. Mevrouw Kops zag hem nooit meer, maar ze kon zijn ingewikkelde liefdesleven volgen op de artiestenpagina van een ochtendblad. Bij de gangdeur nam zij met mijn moeder iedere wending van zijn hachelijke bestaan door.

Intussen was mevrouw Kops een briefwisseling begonnen met een toneelspeler van een theater dat het publiek alleen maar aan het lachen wilde maken. De man had een regelmatig en licht bedroefd gezicht. Hij was een jaar of vijftig en zijn loopbaan had veel betere ogenblikken gekend. Langzaam was hij afgegleden naar de krochten van het toneel. Het geld was het enige waarvoor hij nog speelde.

Ik was allang het huis uit, maar liet mij door mijn moeder uitgebreid over de correspondentie voorlichten. Zij had nog nooit een brief van de acteur gezien. Het was mogelijk dat mevrouw Kops er het een en ander bij verzon. Toch wist ze zoveel van zijn leven af dat de toneelspeler hoe dan ook op haar attenties moet zijn ingegaan.

Ze was zijn laatste bewonderaarster. Mijn moeder vertelde dat mevrouw Kops hem volgende week werkelijk zou ontmoeten. Na afloop van een voorstelling mocht ze naar de kleedkamer komen.

Zou ze die geheimzinnige ruimte wel kunnen vinden? Wat moest ze aantrekken? Deze en nog enkele andere vragen werden bij de deur uitgebreid doorgenomen. Mijn moeder begreep dat dit de belangrijkste dag uit het leven van mevrouw Kops zou worden.

Het gesprek was maar kort geweest, niet langer dan een minuut of tien. Toch had ze even de geur van schmink geroken en mogen kijken hoe de acteur zijn gezicht met een vloeistof uit een flesje en een geel doekje schoon maakte.

“We zien elkaar vast nog wel eens,” had hij gezegd. “Ik geloof dat de voorstelling een groot succes is.”

Lotsbestemming

Mevrouw Kops werd ouder en raakte steeds verder verwijderd van de roem die zij zo bitter ontbeerde. Toen kreeg zij een ingeving: ze bestemde haar lichaam voor de wetenschap. Zij zou het zelf niet meer beseffen als de medische geleerden iets van haar opstaken, maar de gedachte daaraan vergoedde veel. Het was een postume roem van haar hele gestalte, van hiel tot kruin, hoe kortstondig ook. Ze liet mijn moeder elke week de papieren zien waarmee haar laatste lotsbestemming wettelijk was gemaakt.

Kinderen had mevrouw Kops nooit gekregen. Wel woonde er een paar jaar een pleegzoon bij haar in huis. Die vertrok toen hij zeventien was en liet nooit meer iets van zich horen. Hij dook weer op toen mevrouw Kops stierf.

Hij was de erfgenaam van het vooroorlogse meubilair en een som geld die net onder de drieduizend gulden bleef. De laatste wil van mevrouw Kops probeerde hij te eerbiedigen. Zou je aan de buitenkant van een lijf kunnen zien of het eventueel een verrassing bevat? Het mes werd er hoe dan ook niet ingezet. Het ziekenhuis, waar zij stierf, wees haar lichaam af.

Hier zou de geschiedenis van mevrouw Kops moeten eindigen, maar dat zou haar onrecht doen. Ze kan nooit hebben vermoed dat de roem die ze altijd weer zocht haar toch nog ten deel zou vallen. Die kwam dan ook uit een wel heel onverwachte hoek: de beeldende kunst van de jaren zestig.

Het was de tijd waarin de schilders de grap, het vrolijke gebaar en de bizarre reis niet schuwden. De een signeerde een chapeau claque, de ander zette een koelkast op een ijsbeervel en een derde voer in een kano over beken en rivieren om volgens een strenge route een onzichtbare tekening te peddelen.

Er werd gelukkig niet te veel over getheoretiseerd. Al die dingen gebeurden in een aanval van halfernst, luchthartig en zonder sentiment. Vijfentwintig jaar later begonnen die beeldende clowns voor hun variété ingewikkelde verklaringen te verzinnen, kunstzinnige praatjes waar ze zich vroeger juist zo tegen hadden afgezet.

Ik kende iemand die toen niet eens kunstenaar wilde worden genoemd. De huizen in de stad waren zijn onderwerp. Hij stond op een plein of een straathoek en was gewapend met een stapeltje stadsplattegronden en een paar viltstiften. Aan een voorbijganger vroeg hij in welke huizen hij had gewoond en de aangesprokene was meestal wel zo goed die plekken op de kaart aan te geven en met elkaar tot een grillige figuur te verbinden.

Er ontstond een verzameling fraaie tekeningen, een feest van richtingen, beweeglijkheid zonder nut. Als je al die bladen bij elkaar zag was je ontslagen van elk doel, nooit hoefde je nog ergens heen, anderen hadden al die huizen voor je bewoond.

Mijn begeerte was gewekt en dat zag de kunstenaar ook. Hij wilde mij best een paar van die kaarten geven, maar dan moest ik ook iets voor hem doen. Als ik zijn rol nu eens een week van hem overnam. In die tijd moest ik toch zeker veertig, vijftig schetsen aan voorbijgangers kunnen ontfutselen. Die zou hij dan weer signeren en uit die collectie mocht ik dan een keuze maken.

Het was een verleidelijk aanbod. Ik droeg de kunst een ruim hart toe maar het ging me iets te ver om er op een straathoek bij een voorbijganger voor te gaan mansen. Kon ik de gevraagde kunstwerken niet op een andere manier laten ontstaan?

Samenzwering

Ik dacht aan mijn moeder en mevrouw Kops. Tussen al dat gepraat bij de gangdeur schoot er vast nog wel wat tijd over. Als ik hen nu eens de van mij verlangde stadsschetsen liet maken. Dat ging wel enigszins tegen het uitgangspunt van de hele onderneming in. De passant moest immers anoniem blijven. Maar wie zou er iets van merken als ik er nooit wat over zei?

Mijn moeder stemde toe. Ik praatte wel eens met haar over de jongste kunst. Ook mevrouw Kops had geen bezwaar, zonder dat ze de finesses van de opdracht bevatte. Toen ik die voor de tweede keer had uitgelegd keek ze mij ernstig aan, alsof ze nu deel uitmaakte van de een of andere geheime samenzwering. Dit was een bericht uit de grote wereld waarin ze zo moeilijk kon doordringen, hoe onbegrijpelijk het verzoek ook was.

Zelf had ze maar in twee straten gewoond, toch verbond ze al de adressen die ik opgaf, kaart voor kaart. De regen kletterde tegen de balkondeuren. Mijn moeder serveerde thee en koekjes en mevrouw Kops was voor het eerst bij ons binnen. We waren naar de eerste de beste tafel gelopen. Mijn opdracht had het verschil tussen gang en huis tijdelijk opgeheven.

De tekeningen van mevrouw Kops waren nog iets mooier dan die van mijn moeder. Los en met het achteloze raffinement van de voorbijganger die even snel iets op papier moet krijgen. Ze begreep dat ze in verschillende stijlen moest tekenen. De sloddervos, de ingenieur, de vrolijke frans, geen schets was gelijk.

Toen mijn moeder en mevrouw Kops alletwee tien tekeningen hadden gemaakt, vond ik het genoeg. Op elke kaart zette ik in de rechterhoek een teken, een puntje voor mijn moeder en twee voor mevrouw Kops. Dat maakte ieder werkstuk, tegen de bedoeling in, nog een beetje persoonlijk. Voor de beschouwer zouden ze anoniem zijn. Die zag de stipjes niet eens. Of hij dacht dat de viltstift even was uitgeschoten. Misschien leken het wel vuiltjes in het papier.

In zekere zin waren het vervalsingen. Aan de andere kant zagen ze er zo levensecht uit dat alleen de grootste purist mijn werkwijze kon afkeuren.

“Hoor ik er nog eens wat van?” vroeg mevrouw Kops met die lichte stem. Dat kon ik haar niet beloven. Ik hield van deze kunst, toch dacht ik dat ze geen grote toekomst had. Maar daarin vergiste ik mij diep.

Een paar jaar geleden, toen mevrouw Kops al lang was gestorven, bezocht ik een overzichtstentoonstelling van de bewierookte jaren zestig in een groot museum te Parijs. De grappige requisieten, die nu ingrepen in de werkelijkheid werden genoemd, stonden braaf op de vloer of lagen keurig uitgestald in vitrines.

Daar had je waarachtig de gesigneerde chapeau claque. Een beschimmeld stukje kaas was in cellofaan gehuld om het tegen verder verval te beschermen. Het lag vlak naast een plattegrond die ik door en door kende. Ik keek vlug of er in de rechter benedenhoek een of twee puntjes stonden. Nee, er was niets te zien. Deze schets moest door een nooit meer te achterhalen voorbijganger werkelijk op een straathoek zijn gemaakt.

Die middag dwaalde ik nog wat in de buurt van het museum. Een paar galerieën hadden op de grote tentoonstelling ingespeeld. En plotseling nam meneer Kops, midden in Parijs, vaart en zwaaide z'n lange been over het zadel, vertelde mevrouw Kops vlak bij de gangdeur het allerlaatste nieuws over de pianist, werd mijn hele buurt met tientallen fietsers, hoeden en geklede jassen naar de haute-volée van de kunst verplaatst. Daar, in een etalage, stonden de twee puntjes in de rechter benedenhoek van een plattegrond.

Thee, kletterende regen en damesstemmen voor honderdduizend frank.