Een tragisch paar; Lodewijk XVI en Marie-Antoinette

John Hardman: Louis XVI 264 blz., geill., Yale University Press 1993, fl.65,60

Ian Dunlop: Marie-Antoinette 411 blz., geill., Sinclair Stevenson 1993, fl.65,55

Als jonge vorst oogde hij als een grote, dikkige jongen, blond en blauwogig als een Duitser. Hij was lomp, verlegen en onzeker, slechtbespraakt en weinig innemend, onhandig met vrouwen en verstoken van esprit. Zijn broers waren allebei charmanter en gevatter, maar hij was nu eenmaal de oudste en moest dus koning worden.

Lodewijk XVI was een ontoegankelijke man. Hij miste elk vermogen om mensen aan zich te binden en er ging geen sprankje charisma van hem uit: een lastig gebrek voor een monarch. Maar achter dit onaantrekkelijke voorkomen ging een fatsoenlijk mens met grote kwaliteiten schuil. Zijn intelligentie werd vaak onderschat. Lodewijk kende zijn talen en was goed thuis in de wetenschappen. Hij las graag en veel en zijn geheugen was uitstekend. In zijn beste jaren was hij ook een harde werker. Hij had een goede kijk op zulke belangrijke beleidsterreinen als financien en buitenlandse politiek.

Daarnaast was hij bescheiden en sober. Aan hofceremonieel had hij gruwelijk het land, hij dronk matig (alleen champagne) en was de eerste Bourbon die het zonder maitresse stelde. Dat kan wel verband hebben gehouden met de vervelende kwaal, die hem jarenlang belette het huwelijk met Marie-Antoinette daadwerkelijk te consumeren. (Een kleine operatie bracht uiteindelijk uitkomst.) Later is hem vooral zijn besluiteloosheid verweten, maar in het eerste jaar van zijn regering bleek hij toch wel degelijk doortastend te kunnen optreden, toen hij een hongeroproer in Parijs krachtdadig liet onderdrukken. Uitgesproken geslaagd was (tot alles mis liep in 1787) de Franse buitenlandse politiek, waar de koning een sterk persoonlijk stempel op drukte. Lodewijk was wars van oorlogen en veroveringen en wenste verdragen ook werkelijk na te leven. De enige oorlog die met zijn instemming werd gevoerd: de Franse interventie in de Amerikaanse Revolutie, werd met succes bekroond. Jarenlang genoot Frankrijk een enorm diplomatieke prestige; gevaarlijke internationale conflicten werden door Franse bemiddeling vreedzaam opgelost. Maar juist het zo mooi verlopen Amerikaanse avontuur, weten we achteraf, was de opmars tot de ineenstorting van het Ancien Regime en het ellendige einde onder de guillotine van Lodewijk en Marie-Antoinette, dit jaar twee eeuwen geleden.

Kwetsend

Hoe heeft het zo ver kunnen komen na dat veelbelovende begin? Dat is de weinig originele, maar onvermijdelijke vraagstelling van de twee Britse biografen van het ongelukkige koninklijk paar. John Hardman sympathiseert duidelijk met zijn tragische held, en alleen een volstrekt gevoelloos mens kan al lezend in zijn boek geen deernis met de stakkerd krijgen. Zijn verhaal heeft dan ook een apologetische ondertoon: Lodewijk wordt geportretteerd als een onbaatzuchtig ijveraar voor zijn land en volk. Als hij op een paar kritieke momenten zijn zin had kunnen doordrijven, zou het allemaal veel beter hebben kunnen aflopen. Waarom deed hij dat dan niet? Hardman wijt dat maar gedeeltelijk aan de beruchte besluiteloosheid van de vorst, en veel meer aan de politieke omgeving waarin hij moest opereren - in het bijzonder aan zijn ministers, want 'a Bourbon king was only as good as the advice he received'.

Nu had koning Lodewijk het niet onverdeeld slecht getroffen met zijn belangrijkste adviseurs. De geslepen Maurepas, de ongeduldige hervormer Turgot, de workaholic Vergennes, de verstrooide Malesherbes (die hem later tijdens zijn proces durfde te verdedigen en dat met de dood bekocht): het waren capabele en toegewijde ministers, met wie de koning vaak voortreffelijk kon samenwerken. Wat moeilijker ging dat later met de muisachtige conservatief Mirosmesnil, met de gladde Calonne en vooral met Necker - door Hardman genadeloos als een onbetrouwbaar parvenu en een doortrapte zwendelaar te kijk gezet. Maar ook dat waren heren die wisten waarover ze 't hadden.

Niet de kwaliteit van de ministers was het probleem, maar de verdeeldheid van Lodewijks kabinetten. Anders dan zijn grootvader en voorganger duldde hij geen 'eerste minister' naast zich, maar zelf was hij toch ook niet in staat om als coordinator van het kabinetsbeleid op te treden. Dat had te maken met zijn moeilijke karakter: Lodewijk wantrouwde zijn ministers, en kon hen grof en kwetsend bejegenen. Maar zonder meer zijn zin doordrijven wilde hij niet. Ongeschreven, maar zeer door hem gerespecteerde regels verplichtten hem om zo min mogelijk maatregelen te nemen zonder de instemming van de politieke elite, onder meer vertegenwoordigd door zijn ministers en door de eingenaardige institutie van de 'Parlementen'. In dat opzicht gedroeg hij zich eigenlijk al als een soort constitutioneel vorst: hij verafschuwde oprecht elke vorm van 'despotisme'.

Helaas was de politieke elite hopeloos verdeeld, en die verdeelheid manifesteerde zich keer op keer binnen Lodewijks kabinetten. Over een ding bestond een brede eenstemmigheid: het Franse politieke systeem moest dringend op de helling, al was het alleen maar wegens de steeds terugkerende financiele crises. Iedereen, ook de koning, was overtuigd van de noodzaak van hervormingen, en eigenlijk geloofde niemand meer in het oude absolutistische koningschap. Maar over de richting waarin die hervormingen zouden moeten gaan, waren de meningen diep verdeeld. Lodewijk zelf was aanvankelijk voorstander van een efficient reformistisch absolutisme. Veel van zijn ministers (en een belangrijk deel van de elite) koersten liever naar een aristocratisch constitutionalisme naar Engels model; hier en daar klonken ook al wat meer democratische geluiden.

Pandemonium

Dwars door die ideologische scheidslijnen heen liepen de tegenstellingen tussen alle mogelijke klieken, facties en belangengroepen. Het feit dat alle partijen - ook die van de koning - druk in de weer waren met het manipuleren van de publieke opinie (met gebruikmaking van alle gelegenheidsargumenten van dien) maakte het politieke schouwtoneel er niet overzichtelijker op.

De arme Lodewijk raakte in dit pandemonium al gauw het initiatief kwijt. Het echec in een voor die gelegenheid bijeengeroepen Assemblee des Notables van de hervormingsplannen van zijn minister Calonne, markeerde volgens Hardman het keerpunt. De energie waarmee de koning zich voor die plannen had sterk gemaakt, verkeerde in cynisme, apathie en toenemende neerslachtigheid. Steeds meer hobbelde de vorst gemelijk achter de feiten aan, verraden en verlaten door zijn omgeving.

De bijeenkomst van de dtats-Generaux in mei 1789 leek de verstandhouding tussen de koning en het spraakmakende deel van zijn onderdanen even te doen opklaren. Volgens Hardman liep de zaak evenwel al spoedig hopeloos mis door het gekonkel van de koningin en een paar ministers en hovelingen. De ontoegankelijkheid van Lodewijk - versterkt door de dood van de dauphin _ droeg niet weinig bij aan een sfeer van wederzijds wantrouwen, waarin fatale misverstanden konden gedijen. Terecht of ten onrechte (Hardman komt daar niet helemaal uit) voelden de vertegenwoordigers van de Derde Stand zich verraden door de vorst die hun eerst zoveel hoop had gegeven. De roep van dubbelhartigheid bleef Lodewijk tot op het schavot achtervolgen.

Toch liet die zich nog steeds leiden door de beste bedoelingen. De verstoring van de verhouding met de Derde Stand heeft hij niet gewild, zoals plannen voor een gewelddadige contrarevolutie steeds op zijn tegenwerking zouden stranden. Maar evenmin was hij in staat om zijn nieuwe rol van constititutioneel monarch met overtuiging te spelen. Misschien was hij inmiddels wel zo ver, dat hij een drastische beperking van zijn formele macht wilde aanvaarden - van de onveranderbaarheid van de rechten van de kroon was hij nooit overtuigd geweest - maar hij wenste die rechten alleen in volle vrijheid uit handen te geven. Zo belandde hij in de ondankbare functie van remmer in vaste dienst: hopend op de kering van het revolutionaire tij, maar er tegerlijkertijd van overtuigd dat een volk niet tegen de heersende neigingen in geregeerd kan worden.

De onheilsvolle 'vlucht naar Varennes' past in dit beeld. Lodewijk was geenszins van plan om het land te verlaten, en met hulp van buitenlandse legers en adellijke emigres de oude orde te herstellen. Hij wilde alleen in een veilige standplaats en beschermd door loyale legereenheden met de Assemblee onderhandelen over zijn positie als constitutionele koning. Na zijn eerloze terugkeer in Parijs zag hij zich gedwongen nog ruim een jaar mee te spelen in een cynische farce. Het uitbreken van de oorlog met Oostenrijk en Pruisen, waar de immer vredelievende Lodewijk volgens Hardman tegen was, werd het begin van het einde. Op 10 augustus 1792 maakte de bestorming van de Tuilerieen door een Parijse volkmassa een eind aan de monarchie.

Moed

De korte tijd dat Lodewijk met zijn gezin in de Temple gevangen zat, moet hij toch een soort geestelijke opleving hebben beleefd. Hij besteedde al zijn tijd aan het gezinsleven, met name aan de opvoeding van zijn zoon. Lang heeft hij er niet van mogen genieten. In januari 1793 werd hij door de Conventie ter dood veroordeeld, na een proces waarin hij een voor hem karakteristieke verdediging had gevoerd: solide, maar legalistisch, negatief en fantasieloos.

Volgens alle ooggetuigen ging hij met bovenmenselijke moed de dood in, negen maanden later gevolgd door Marie-Antoinette. Zij had het tijdens haar gevangenschap en schandproces nog zwaarder dan haar man te verduren gehad en stierf even dapper als hij. Maar voor een historische rehabilitatie is dat niet genoeg. Marie-Antoinette komt er bij Hardman aanmerkelijk minder gunstig van af dan Lodewijk. Wel neemt hij haar in bescherming tegen de vloed van laster die tijdens en na haar leven over haar is uitgestort. In werkelijkheid was 'Madame Deficit' eerder zuinig dan spilziek en eerder kuis dan nymfomaan. Zelfs voor de vermeende intieme relatie met haar aanbidder, de Zweedse graaf Axel Fersen, bestaat geen spoor van bewijs.

Toch moeten er gronden zijn geweest voor haar immense en wijd verbreide impopulariteit, en die zijn in beide biografieen ook te vinden. Het tragische is dat zij in karakter het volstrekte tegendeel was van haar evenmin geliefde echtgenoot. Ze paarde een koppige eigengereidheid aan een domme oppervlakkigheid en lichtzinnigheid. Nu had ze haar opvoeding niet helemaal mee gehad: toen ze als veertienjarig prinsesje in Frankrijk arriveerde kon ze amper haar eigen naam schrijven. Maar haar verregaande onwetendheid belette haar niet zich waar mogelijk hinderlijk te bemoeien met staatszaken, vooral als het om benoemingen van favorieten ging. Lodewijk was aanvankelijk zo verstandig haar buiten zijn zaken te houden. Later, toen hij zelf steeds dieper in lusteloosheid wegzakte, kreeg zij meer voet aan de grond - meestal met funeste gevolgen. Toch werd het koninklijke huwelijksleven, ondanks een onmiskenbare incomptabilite d'humeur en vinnige meningsverschillen, er in de loop van de jaren gaandeweg beter op, om uiteindelijk in een bijna burgerlijke intimiteit te eindigen.

Wie in dit soort petit histoire is geinteresseerd moet niet te veel van het boek van Hardman verwachten. De eerste helft bevat een nogal droog en technisch expose, dat er door zijn stroeve stijl en matige compositie niet leesbaarder op wordt. Hardmans blikveld is zeer beperkt: het is hem vooral te doen om de verhouding tussen Lodewijk en zijn ministers. Hofgekakel en straatrumoer ontbreken: wat zich buiten het koninklijke werkvertrek afspeelde, wordt bekend verondersteld. Die beperking is ook de kracht van het boek, want binnen dat kader weet de auteur veel orgineels te vertellen. Het laatste deel van het boek is overigens een stuk levendiger: dramatische hoogtepunten als de vlucht naar Varennes, de bestorming van de Tuilerieen en Lodewijks laatste dagen worden met onverwachte verve beschreven.

Het boek van Dunlop is van een geheel andere aard. De auteur is geen historicus, maar een gepensioneerde anglicaanse vicar met een passie voor Franse koninklijke paleizen, en dat is te merken. Zijn verhaal kabbelt gemoedelijk voort, en zoveel aandacht besteedt hij aan de decors dat heldin Marie-Antoinette soms tijdenlang geheel achter de coulissen verdwijnt. Iets nieuws heeft Dunlop niet te melden, en zijn literatuuropgave maakt een wel zeer belegen indruk. Toch is het een aardig en kleurrijk boek, dat recht doet aan het tragische koningspaar.