Een kerstvertelling (in proza)

Mijn inspiratie was dood, om mee te beginnen. Hieromtrent bestond niet de minste twijfel. Mijn inspiratie was zo dood als een deurnagel. Hoewel ik geenszins uit eigen ervaring wist hoe dood een deurnagel is, moest ik mijzelf toegeven dat deze voorvaderlijke wijsheid geheel van toepassing was op de manier waarop mijn leven op de zandbanken van de moderne tijd was gelopen. Twintig jaar journalistieke pensioenopbouw, en dan dit! 'Daantje, Daantje,' dacht ik, 'Hoe nu verder?'

Die ochtend had hoofdredacteur Walter Decheiver mij op collegiale wijze toegesnauwd: “Honderdvijftig jaar Dickens, Daan! Anderhalve eeuw Christmas Carol, dat is goed voor de cover van Boek in Beeld - dan gaan we chic de kerstdagen in. Ik wil jouw stuk daarover nog voor borreltijd op mijn bureau!”

En nu zat ik hier, op die heugelijkste van alle heugelijke dagen des jaars, op de dag namelijk dat de Boek in Beeld-kerstpakketten werden uitgedeeld, tegen een leeg beeldscherm aan te kijken. Buiten was het guur en bijtend koud, en mistig bovendien. Ik kon de voorbijgangers horen klappertanden. De stadsklokken hadden zojuist drie uur geslagen, maar het was al helemaal donker - het was trouwens de hele dag niet licht geweest - en voor de vensterruiten van de naburige kantoren flakkerde het zwakke licht van elektrische feestkaarsen.

Binnen was het stil. En niet minder koud, want om de jaarcijfers op het laatste moment in positieve zin bij te stellen, had de nieuwe uitgever de kolenbak in zijn eigen vertrek gezet, en als een der redacteuren met de schop binnenkwam kon hij er vast en zeker staat op maken, zijn werkgever te horen voorspellen dat, als dit zo doorging, Boek in Beeld weleens het trieste lot zou kunnen volgen van De Krant Op Zondag, de Haagse Post, De Nieuwe Linie, De Tijd, Intermagazine, O, Skoop, HP/De Tijd Op Zondag, de Typhoon, de Waarheid, Muziek Express, en al die andere onvergankelijke voorvechters van het vrije woord, die niet langer onder ons waren, deze Kerst.

Daarom was het dat ik mij poogde te warmen aan mijn lege beeldscherm, terwijl ik wanhopig door de knipselmap 'Dickens (compleet)' bladerde. 'Grote goden,' dacht ik, 'De Christmas Carol heb ik nooit gelezen, alleen op teevee gezien, met de Muppets.' Zonder stuk geen kerstpakket, bonkte het in mijn hoofd - en die gedachte alleen al verlamde mijn vingers. Hoe zou ik nu mijn poes Pasternak en hond Heidegger door de feestdagen krijgen? Andere jaren hadden ze zo genoten van de blikjes zalm, de koekjes met de reeds lang verlopen houdbaarheidsdatum en de zichtbaar smakeloze soepstengels!

“Daan!” verscheurde hoofdredacteur Walter Decheiver plots mijn gemijmer, “Ik moet nu weg. Vergadering in cultureel eetcafé Bazel. Toonaangevende opinieleiders van diverse pluimage, van het kaliber Toine van Mierlo, Jan Jansen van Gobbel, Johannes van Daele, persprofessor Bep Bakhuys, H.J.A. Hofkens, en Elma Dusbaba zullen hun visie op onze periodiek toelichten onder het genot van een Zwitserse kaasfondue. Kom je stuk maar brengen. Dan krijg je daar je kerstpakket!” “Maar.. ik ben nog lang niet klaar, Walter”, stamelde ik. Het leek alsof hij mij walgend aankeek, en dat was ook zo. “Je wou morgen toch de hele dag vrij hebben, veronderstel ik?” gromde hij.

“Ja Walter, als je dat uitkomt. Morgen is het Kerstmis”, zei ik zo strijdvaardig mogelijk als de omstandigheden toelieten. “Humbug! Een armzalige verontschuldiging om elke vijfentwintigste december je stuk niet af te hebben” bulderde Decheiver, “Kom overmorgen daarom maar des te vroeger.”

“Maar Walter, ...dan is het tweede kerstdag!”

“Is dat een bezwaar?!” was het laatste dat ik hoorde voordat de deur van het redactielokaal dreunend dichtsloeg.

En nog kouder werd het, en nog stiller. Nu moest ik echt aan de slag: om als vanouds een betoog vol kwinkslagen, harde feiten en snedige terzijdes met een triomfantelijk gebaar aan de hoofdredacteur te kunnen overleggen. Maar eerst: koffie!

Met een geroutineerd gebaar bediende ik de automaat (knop 31: echte bonenkoffie met melk en suiker). En toen zag ik het... het keek mij aan door de koffiedampen, omgeven met een lichtglans, zoals die straalt om een bedorven kreeft in een donkere kelder. Ik herkende het gezicht direct. Hetzelfde gezicht, helemaal hetzelfde. Ik was het zelf: in mijn gewone vest, in mijn gewone corduroy-broek, maar rond mijn buikje was een lange ketting gesnoerd. Die was, kon ik zien, samengesteld uit dertig jaar ongeschreven stukken, mislukte covers, druilerige declaratieformulieren, nooit uitgewerkte interviews, een nimmer afgemaakte roman, en veel, heel veel gefnuikte goede bedoelingen, journalistiek gesproken dan.

“Euh... Wat betekent dit?” riep ik met achteloos onderkoelde nonchalance. “Veel!” echode het hol over de redactieburelen. “Ik ben Schrijvers, Daan, Daan Schrijvers! Ik ben jouw geest, de geest van jouw toekomst.” Ik huiverde onwillekeurig. “Maar,” stotterde ik, “Ben ik die uitgebluste, ouderwordende, zelfgenoegzame, pseudo-denker en pafferige poseur? Ben ik die klakkeloze dobberaar op het wassende water des onheils dat het culturele leven in Nederland heet?”

De geest bleef roerloos als tevoren, en wees veelbetekend op zichzelf. “Neen, neen, neen, Geest!” kreet ik uit, terwijl ik mij in mijn zielsangst tevergeefs poogde vast te klampen aan zijn beduimelde regenjas - dat journalistieke attribuut bij uitstek, “Hoor mij aan. Zo wil ik niet worden! Ik zal niet de Daan worden die ik was!” Doch de geest zweeg, stortte te samen, en kromp ineen tot een koud en donker kopje koffie. De boodschap echter was zonneklaar. Nog geen kwartier later spoedde ik mij door de donkere straten richting cultureel eetcafé Bazel. Links en rechts lagen dode meisjes met zwavelstokjes - oh nee, heroïnespuiten. Mist en ijzel hingen zwaar in de lucht, alsof de weergoden zich in droefgeestig gepeins over de stad hadden ontfermd. Maar mij kon niets meer deren. Ik was zo licht als een veer, zo gelukkig als een engel!

Wapperend met dichtbeschreven kopijvellen stormde ik cultureel eetcafé Bazel binnen. “Walter! Walter! Het is af, mijn stuk is klaar. Net op tijd voor het kerstnummer!” Hoofdredacteur Decheiver keek mij verstoord aan, terwijl de draden kaasfondue over zijn kin kropen. “Daan, jij hier? Wat is dit nu?”

“Dit, Walter, dit is het feest van het licht, journalistiek gesproken dan,” jubelde ik. “Vrolijk Kerstfeest, iedereen!” Even was het stil. Toen schraapte hoofdredacteur Decheiver zijn keel en zei plechtig: “Jouw werk is een sieraad voor ons métier, Daan. Hier is je kerstpakket. Vrolijk Kerstfeest!” Opgewonden liep ik in triomf eetcafé Bazel uit. Buiten in de koude nacht maakte ik meteen de doos open ter inventarisatie van de gratis versnaperingen.

Hola, wat was dat nu? Slechts een jaargang Boek in Beeld, waarvan de houdbaarheidsdatum allang was verlopen, grijnsde mij toe. Met lege handen drukte ik mijn neus tegen het raam van eetcafé Bazel, terwijl de sneeuw langzaam een witte deken over mijn wollen ijsmuts spreidde. Binnen was het feest in volle gang. Opinionleaders van diverse pluimage wierpen joelend met soepstengels, vertrapten dansend allerhande koekjes, en spatten speels met de zalmsalade naar elkaar. Flarden van gezang drongen naar buiten ('effe wachten...pizza...pizza') - en hup, daar zeilde een diepvries pizza uit mijn kerstpakket door de lucht. Toch kon het mij, hier buiten in de donkere nacht, niet echt deren. Want mijn eigen hart lachte; ik had mijn pen hervonden - dat was voor mij genoeg. “Gelukkig Kerstfeest,” mompelde ik met een niet mis te verstane ernst, terwijl ik mijzelf op de rug klopte, “God zegene ons, Daan. God zegene een ieder van ons.”