Drieste tropen

In Djakarta was ik op bibliotheekbezoek. De stad was achtergrond en mensen kende ik er nauwelijks. Mijn route ging van vliegveld naar hotel, ik moest in regeringskantoren en universiteitsgebouwen zijn: de harde, nieuwe voorkant van de stad.

De taxi's volgden achtbaanswegen, onbarmhartig uitgerold over verscholen kampongs en palmenbosjes, aan weerszijden geflankeerd door torenflats, bankgebouwen, praalhotels, met facades van koperkleurig spiegelglas, zachtrose marmer, geborsteld staal, geglazuurd tegelwerk, met gebeeldhouwde fonteinen en natuurstenen bordessen: ongenaakbare vestingen van de nationale macht en het internationale kapitaal. Er wordt daar met meer lef en luxe gebouwd dan waar ook in Nederland, maar het ziet eruit alsof de ontwerper zelf nooit ter plaatse is geweest. Elk gebouw staat op zichzelf, niets verwijst naar de omgeving: extra-territoriale architectuur, haastig opgetrokken op bevel van bouwheren in Tokyo, Londen, Los Angeles, of Dubai. Bij de eerste aanblik, in het voorbijrijden, is het adembenemend door de durf, de kapitaalkracht, de energie. Maar geen van die kolossen lijkt bedoeld om te blijven en te vergroeien met de rest van de stad. De gebouwen zijn inderhaast opgetrokken om nog gauw een slag te slaan voordat de conjunctuur en de dictatuur omslaan. Hier zijn de commandoposten gevestigd voor bliksemsnelle en efficiente veldtochten naar de olievelden en de regenwouden. Maar wanneer straks de bronnen komen droog te staan en de bossen zijn kaalgeslagen worden de hoofdkwartieren ontruimd en dan begint het gewoon verval. Een paar tegels raken los, een marmerplaat valt naar beneden, het bouwskelet komt bloot te liggen en de betonrot zet in. Nu die gebouwen er nog staan hebben ze met alle pronkerigheid en meedogenloosheid iets schofterigs. Maar 's avonds, als de auto's uit het centrum verdwijnen naar hun garages in de voorsteden, veranderen de verlaten parkeerplaatsen opeens in een tentenkamp. Families komen aanzeulen met hun karretjes en uit zeildoek en paaltjes zetten ze hun eettentje op, met een gasfles en een kookpan, een kleedje om op te zitten, een carbidlamp, bordjes en bestek. Elk stalletje serveert een gerecht, de rij eethuisjes biedt de wandelende klanten een volledig menu. Even later zitten de gasten onder het gele licht te praten in een taal die ik niet versta en eten voedsel dat de dokter mij ontraden heeft. Vreemdelingen mogen alleen uit de hotelruif eten en in de van gidswege aangewezen restaurants.

Ik mag met iemand mee, achterop zijn brommer, en krijg de achterkanten van de stad te zien. Ik kom terecht in Kramat Tunggak, een bordelenkampement in het Noordoosten van de stad. Op afstand laat zich bij zoiets van alles indenken: zwoele Tropennachten, zacht gefluister, veel huidskleur en donkere ogen. Inderdaad, ik werd volkomen overdonderd, maar in het minst sexuele zintuig: het gehoor. Wie de poort van het kamp binnengaat stuit op een wal van lawaai, een geluidsgolf breekt daverend over hem heen en moeizaaam moet hij tegen het geraas in waden. Hier is het volslagen pandemonium losgebroken: Een duivelse foltering van het gehoor, het zintuig dat zich, zonder oorlid, niet verdedigen kan. Maar hoe heeft het tot deze kakofonie kunnen komen?

Het terrein is stipt verdeeld in honderden gelijke, vierkante kavels, elk met een halfopen bar en een ommuurd terras, en gescheiden door aangestampte paden. Iedere cafebaas heeft de muziek aanstaan. Uiteraard klinkt de muziek van de buren daardoorheen. Dus wordt de installatie nog wat harder aangezet. Maar nu wordt de muziek aan de overkant overstemd. Daar wordt dus het volume flink omhoog gedraaid. De lawaaiwedloop wordt daarop met andere middelen voortgezet: boomboxen en luidsprekertorens worden geinstalleerd. En uit die escalatie ontstaat een nieuw verschijnsel.

Wanneer twee muziekstukken tegen elkaar in klinken ontstaat iets dat vloekt voor het gehoor maar waarin klank en ritme nog herkenbaar zijn. Maar wanneer van zes, acht kanten machinaal versterkte klanken frontaal botsen gebeurt er iets dat tot nog toe ongehoord was, een geraas als van een natuurramp. Een aanhoudende schokgolf trilt de hersenpan gaar. Er voltrekt zich niets minder dan een luchtbeving, en dat avond aan avond. In het halfduister, op een kistje, voetjes in de goot, zaten de meisjes bedeesd voor zich uit te staren. Het waren boerenkinderen zo te zien, in afgedragen kleren, afdankertjes van de familie. Af en toe passeerde een stel opgeschoten jongens, de armen dicht om elkaars schouders geslagen, sprakeloos vanwege de herrie. Misschien was er wat ogenspel tussen de meisjes en de jongens, maar dat bleef buiten mijn gezichtsveld. Er werd uiteraard geen woord gewisseld, dat had alleen op schrift gekund, en ook verder was er voor zover ik zien kon van contact geen sprake. Er moet mij dus veel ontgaan zijn. In het helle licht van een bar stond een man in bloemenhemd alleen te dansen met een bierblikje in de hand. Achter hem was nog juist een gang te zien met wapperende gordijnen die de peeskamertjes aan het oog onttrokken. In de totale kakofonie leek het hele tafereel zich af te spelen in een stomme film.

In de bar van het Hilton, waar de zakenlieden die voor langere tijd in Djakarta wonen elkaar avond aan avond komen vervelen, was men verbaasd en bijna geergerd dat ik in de rosse wijk niet beroofd of minstens bestolen was. Het was daar levensgevaarlijk. Zij zouden daar nooit een voet zetten, terwijl zij toch mannen van de wereld waren. Volgde een uitvoerige bespreking van de Javaanse vrouw, met gebruiksaanwijzing en gepaste waarschuwing. Op het podium speelde een damesbandje. Er werd wat geknipoogd van de bar naar het orkestje. De stemming werd bepaald frivool. Er was een Engelsman die in de visserij zat en wiens gezicht met de jaren de trekken had aangenomen van een rog, heel plat en met te kleine, scherpe tandjes. Hij stapte moeizaam het podium op, de muziek viel stil, men was het van hem gewend. Hij zette een lied in, meer sprekend dan zingend, met aarzelende begeleiding van de slagwerkster. Met een arm gaf hij de maat aan, de andere had hij om de zangeres geslagen. Zij vleide zich tegen hem aan en keek aanbiddelijk naar hem op met grote, glanzende, bruine ogen. Alweer een zwoele Tropennacht, tegen de exotische achtergrond van potpalmen en wanden met wajang motief.