Dr. Bougrat en Lord Moll

In het begin van de jaren twintig was dr. Bougrat een onkwetsbare man, in het begin van de kracht van zijn leven. Fors gebouwd, knap, toch een mannelijk gezicht, een vriendelijke lach die alleen voor de oplettende toeschouwer in tegenspraak was met zijn blik. Zoals hij ook zelf maar al te goed wist, lag in de diepte van zijn pupillen een koude hardheid verscholen, een gebrek aan mededogen dat door de meesten voor besluitvaardigheid werd gehouden en dat hij overigens door zijn innemend gedrag kundig wist te verbergen. Dr. Bougrat had zich na de voltooiing van zijn studie aanvankelijk geassocieerd met een oude, gerespecteerde geneesheer en nadat deze was gestorven, zijn praktijk overgenomen. Binnen een paar jaar had hij zich tot de vertrouwde arts van de Parijse society gemaakt. Hij was rijk, hij stond in hoog aanzien, hij was vrijgezel. Toen bekend werd dat hij zou gaan trouwen met de baronesse X, wekte dit in de hele stad en daarbuiten een instemmende sensatie, want de baronesse was mooi, jong en nog rijker dan de dokter. Op de dag van het huwelijk stroomde het volk toe. Het jonge paar kwam uit de kerk, de collega's van dr. Bougrat vormden een erehaag en hielden daarmee het opdringende volk op afstand. De bruidegom keek om zich heen. Daar troffen zijn ogen die van een zigeunerin op de eerste rij der belangstellenden. Terwijl zijn benen hem verder droegen bleef zijn blik stilstaan - te lang. Hij bracht zijn bruid naar huis, wendde voor dat hij iets van grote waarde in de kerk had laten liggen, ging terug, zocht en vond de zigeunerin, maakte een afspraak en daarmee was zijn ondergang bezegeld. De arts raakte verslaafd; verviel tot misdaad, tenslotte moord, werd gearresteerd en zijn proces veroorzaakte een nog grotere belangstelling dan zijn huwelijk.

Tien jaar later merkte in Londen de al enigszins op leeftijd zijnde Lord Moll dat hij zijn pijpenschraper thuis had laten liggen. Door Oxford Street lopend zag hij de etalage van een messenwinkel. Men verkocht er ook pijpenschrapers maar het exemplaar dat Lord Moll wilde hebben moest door de bediende uit het magazijn worden gehaald. Terwijl hij wachtte inspecteerde de Lord de vitrines met de keur aan messen. De bediende keerde terug met de schraper, Lord Moll betaalde en wilde de winkel verlaten. Al met één voet over de drempel keerde hij plotseling terug, alsof hij door een onzichtbare hand was gegrepen. 'Dat mesje ook nog,' zei hij. Het werd ingepakt. De dagen daarop trof de Lord zich telkens weer in Oxford Street aan. Dan richtte hij zijn schreden naar de winkel en kocht een mesje, een mes, een bijzonder mes. Plotseling ontdekte hij dat hij messenverzamelaar was geworden. Daarna werd hij messenkenner, het ging hem steeds meer geld kosten. Hij hoorde van een merkwaardig Japans mes dat hij kostte wat het kostte in zijn bezit moest hebben. Naar Tokio. Hij werd bezeten door wat de Duitsers noemen de Antrieb des nicht genug Kriegen-könnens en pleegde zijn eerste diefstal. Het einde laat zich raden.

Hoe verschillend ook van dr. Bougrat, Lord Moll was niet minder verslaafd dan eerstgenoemde. Bougrat had één 'object'; Moll zoveel mogelijk. Als we in deze tijd over verslaving horen zijn we geneigd het eerst aan bewustzijnsverruimende middelen te denken: drugs, alcohol, hard rijden. Het is de vraag - en passant gesteld - of deze middelen werkelijk bewustzijnsverruimend zijn. Eerder brengen ze het verstand tot een toestand waarin het zich van iedere werkelijkheid onthecht, een hoge vorm van zorgeloosheid die ontstaat als het bewustzijn leeg is. We zouden dus beter van bewustzijnsleegmakende middelen kunnen spreken. Wie daaraan verslaafd raakt heeft de onverzadigbare behoefte om zich van de wereld af te keren.

Zoals we aan de lotgevallen van dr. Bougrat en Lord Moll zien, is ook een andere verslaving mogelijk: de materiële. Men keert zich juist naar de wereld toe, men selecteert - altijd zonder opzet - het begerenswaardigste en men valt van lieverlee ten offer aan een bewustzijnsvernauwing, vaak met hetzelfde resultaat als dat van de verruimende of leegmakende. Men stort zich in het ongeluk.

Verslaving is altijd contraproduktief. 'Wie drinkt zal niet schrijven', heeft Remco Campert geschreven. Wie messen verzamelt zal niet snijden. Het meest contraproduktief is de verslaving aan geld. De vrek zal niet investeren. Mijn sprookjesboek had een plaatje waarop een vrek - waanzinnige blik, ongeknipt haar, uitpuilende ogen - in het laatste stadium van zijn verslaving was getekend: zich dag en nacht met dukaten bestrooiend. Volgens het onderschrift riep hij: 'Mijn geldje, mijn lieve geldje.' Hij is in zijn goud verdronken.