Die vlinder zo dicht bij de vlam, dat ben ik; Tekeningen van bezoekers van Perron 0

Dealen, sjotten, stelen en helen, daar draait het om op Perron 0, het territorium van drugsverslaafden naast het Rotterdamse Centraal Station. In een keet van de Kerkelijk Sociale Dienst maken de verslaafden tekeningen. “Keith Haring heeft hier deskundige naäpers, die het blad met een zwarte viltstift barok weten op te vullen. Als er op dat papier maar geen wit, geen leegte, geen niemandsland overblijft.” Vijf verslaafden werkten mee aan een expositie van Eugenio Dittborn in kunstcentrum Witte de With in Rotterdam.

Sommigen staan er elke dag. Anderen verschijnen een keer in de week. En er zijn er die maar eens in de maand langskomen. Het is er koud, en bijna Kerstmis. Daarom schuilen de mensen bij elkaar. Onder een afdak dat die naam niet verdient. Of bijeengepakt tegen doorzichtige schotten, als ongekooide beesten in een onbewaakte dierentuin.

Voorbijgangers mijden hen als de pest. Je weet maar nooit wat er gebeurt als je ze uitlokt met een verkeerde blik of een verkeerd gebaar. En omdat de vreemdeling niet weet wat het woord verkeerd hier betekent, doet hij maar net of hij lucht ziet, of hij haast heeft. Angst doet afstand nemen.

Ik ben te gast op Perron 0, het territorium van de drugsverslaafden naast het Centraal Station in Rotterdam. Deze zomer fietste ik er vaak met een stalen gezicht omheen, schoot in hoge versnelling het stil geworden tunneltje in dat onder het spoor, naast Perron 0, loopt, en wist me in het halfduister bedreigd door elke tunnelganger. Meestal was er niemand te zien. Het rook er alleen stevig naar overjarige urine.

Dit jaargetijde dragen de verslaafden van Perron 0 kleren die ouder en somberder lijken dan zij zelf. En als ze niet oud lijken, dan zijn ze te dun. Een enkeling is aanwezig als lantaarnpaal, en kijkt kaarsrecht voor zich uit. We turen naar hetzelfde, maar hij ziet niet wat ik zie. Zijn binnenste logeert elders. De meesten blijven op een vierkante meter behoedzaam in beweging alsof ze strategisch de wind en de vochtigheid willen ontglippen. Te veel beweging doet pijn, lijkt het.

“Nee, die kunt u niet spreken, die is dood. En die andere waar ik het over had, die is ook dood.” Jack van Mildert spreekt het uit als een winkelbediende die door zijn voorraad koffiefilters heen is: jammer dan. Hij is pas 23 jaar en werkt sinds 1988 op Perron 0. Niet buiten, maar in een keet met kantoormeubilair, verwarming en getraliede ramen. Jack is een van de vier Perron 0-medewerkers van de Stichting voor Kerkelijk Sociale Arbeid. Vijftig vrijwilligers staan de stichting bij in ploegendienst, elke dag van 11 tot 23 uur. Het zijn vooral vrouwen. Ze hebben het hier naar hun zin omdat 'het werk zo afwisselend is'. En dat vindt Jack ook.

Alleen onwennige bezoekers kijken af en toe verschrikt naar de dunne wand die het kantoortje scheidt van het gestommel op de houten vloer, het geschop en het geruzie bij de toonbank, waar koffie wordt geschonken en de gebruikte injectienaalden in een doos verdwijnen. Na een peilloze rochel schiet de deur naar het kantoortje open. Een radicale hand trekt hem dicht. Hoe vaak zal die vrijwilligershand diezelfde beweging hebben gemaakt?

Bloemschikken

Jack heeft leren spreken als een bootwerker die een scheepshoorn moet overstemmen. Achter slot en grendel bewaart hij op loodrechte stapels honderden tekeningen en dichterlijke teksten. Ze zijn gemaakt door Perron 0-bezoekers. “Wat kan je hier anders doen, het dartspel viel meteen al af,” zegt hij. “We doen wat aan tekenen, aan bloemschikken, en als het mooi weer is gaan we basketballen.” Hij is blij dat er nu eens niet gepraat wordt over dealen, sjotten, stelen of helen, over taxichauffeurs en marechaussees, maar over 'dat wat de taal overstijgt', het tekenen.

Hijzelf zit hier in de keet af en toe aan tafel om met potloden en kleurstiften het voorbeeld te geven. Een rooster met tekenlesuren werkt hier niet. In de avonduren volgt Jack de beeldhouwersopleiding aan de Academie in Rotterdam. De tekeningen van zijn passanten zijn hem veel waard. Zomaar afdrukken in een krant? Kom nou, dat moet Jack toch eerst aan de makers vragen?

Ik mag door de stapels bladeren. We zien traptreden waarop met een liniaal een kruis is neergezet. 'God bless me', luidt het bijschrift. Een verzoek dat aan dovemansoren was gericht. Op een andere tekening fonkelt een groot lichtblauw hart. Een hart van ijs, lijkt het, omdat de dunne krijtlijnen voorzichtig met de vingers in wolkjes zijn uitgeveegd. Het was bestemd voor een meisje dat Francisca heette. Er is veel van haar gehouden. Nu kan dat niet meer.

Op andere bladen zwerven Arabische tekens uit als een geheimschrift voor lotgenoten. Het schrift oogt zwierig, een soort rollerscating, maar dan met potlood. Favoriete tekenthema's blijken portretten, naakte vrouwen, huizen met tuinen en Amerikaanse limousines te zijn, keurig neergezet als in zo'n geestdodend kinderkleurboek, alleen minder gelikt. Soms duikt er weer een liniaaltekening op. Zo kan je tenminste nog iets onder controle houden. Keith Haring heeft hier trouwens deskundige naäpers, die het blad met een zwarte viltstift barok weten op te vullen. Als er op dat papier maar geen wit, geen leegte, geen niemandsland overblijft. Het wit is hier net zo hachelijk als de stilte.

Tekenwedstrijd

Op de dag dat Sinterklaas komt, is in de met slingers versierde keet een tekenwedstrijd voor de verslaafden uitgeschreven. Een flink aantal bezoekers wil meedoen. Ze doen extra hun best, want er zijn 'eetbare prijzen' te winnen. Urenlang zal er een meisje tegen de wand blijven slapen. Ze zit schuin, geknakt op een keukenstoel, als een gebroken kaars. Slapen mag hier eigenlijk niet. Op haar muts dartelt de ene Micky Mouse over de andere heen.

Elvis Presley zingt op de radio In the ghetto als Sinterklaas zijn opwachting maakt. Vrouwelijke bezoekers willen met hem op de foto, met Jan van de Orde der Dominicanen, die hier, gewoonlijk gekleed in een ivoorwitte habijt, een paar keer in de week brood uitdeelt. “Je ziet er niet uit, jongen!” zegt een bezoeker tegen de Sint. Jan lacht. En op de vraag of iedereen zoet is geweest, volgt een oorverdovend 'Allemaal stout'. In een oogwenk hebben alle taai-taai poppen en pepernoten een jaszak gevonden.

Op de wedstrijdtekeningen doemen eilanden op, bootjes, zonnen, palmbomen en bloemen in een tuin. Een van de mannen tekent altijd datzelfde eiland: Curaçao, want daar is hij geboren. De man van de bloementuin wil zijn naam en zijn nationaliteit niet kwijt. Hij spreekt ineens geen Frans meer. Illegalen hebben vaak geen andere plek dan deze keet.

De roeiboot en aanlegsteiger van Johan liggen er eerst rustig in potloodlijnen bij. Dat is mijn vroegere leven, zegt hij. Een uur later is het tafereel in bruinen en groenen dichtgeslibt. “Kijk,” fluistert Azim over zijn tekening, “die kaars hier brandt langzaam op, net als ik. Hij gaat eraan! En die vlinder die zo dicht bij die vlam vliegt, dat ben ik ook. Die vlinder heeft het niet in de gaten. Maar ik wel!” Azims 'point of no return' is blijkbaar ook een opluchting.

Er komt een krijsende bezoeker binnen. Zijn betoog draait wel twintig, dertig keer om 'motherfucking'. De mannen tekenen ongestoord door, het meisje slaapt nog. Iemand anders begint ritmisch met een zakmes in het rond te zwaaien en krast ermee op de keetwand. Traag schuif ik naar Jack toe. Hij houdt de dans van de messeslijper scherp in de gaten. Hij heeft zich de kunst eigen gemaakt zo te kijken dat het lijkt of hij nauwelijks iets ziet. En als hij dan toch iets moet zien, herinnert hij de bezoekers als ouwe-jongens-onder-mekaar aan oude afspraken. Geen messen, geen drank, geen dealers, geen spuiters binnen. Aan de bar krijgt iemand met een grote bek en een dure jas iets toegestopt. Ik zie het, en probeer net zo wezenloos te kijken als Jack. Twee mensen zijn hier de afgelopen tijd doodgestoken en de man daar in de hoek laat sinds kort zijn baard staan, omdat iemand een paar weken geleden zijn wang openhaalde.

Een van de eetbare tekenprijzen gaat naar Domingus Pattiasina. Een mooie, lange man, met een kort baardje, een zwart hoedje op. Hij speelt hier wel eens viool en 'gebruikt' nu zo'n jaar of veertien. Zijn tekening laat een hand zien waarop een piepklein mensje zit, gehuld in een donkere wolk. Twee dagen geleden heeft hij zijn vader begraven. Vroeger kwam zijn vader hem een of twee keer in de week hier ophalen om met hem in een restaurant te eten. Zijn vader schaamde zich voor niemand.

Domingus wijst naar zijn tekening. “Hier heerst duisternis,” zegt hij over die donkere wolk, “maar als ik het moeilijk heb word ik er toch weer naartoe getrokken. Hier maken we elkaar kapot en daarbuiten is licht, kijk maar. En die knielende figuur, dat ben ik zelf. Ik kniel op Gods hand om bij het licht te komen.” Hij vraagt nog of hij de krant krijgt toegestuurd. “Wat zal mijn familie trots zijn!”

Gratis goud

Als het aan Jack van Mildert lag nam hij zijn bezoekers mee naar zijn eigen atelier. Maar dat kan niet, er moeten grenzen bestaan. Binnenkort zullen zijn verslaafden de schotten van 'de Maasvlakte', zoals Perron 0 nu wordt genoemd, zelf beschilderen, “dan wordt deze plek hun eigendom, iets waar ze trots op kunnen zijn. Want als ze het hier ook nog verzieken, is alles op.”

Ten afscheid geeft Jack een rondleiding over het terrein. In de naburige keet waar gespoten, gesnoven, en God-weet-wat wordt gedaan, perst men zich naar binnen, alsof er gratis goud wordt verstrekt. In de keet van het sanitair zitten, staan en liggen zoveel gebruikers dat ik in een reflex mijn hoofd afwend. Gelukkig komen er binnen afzienbare tijd nieuwe keten. Ook dan zal Jack doorgaan met zijn tekensessies. Papier, potloden en viltstiften zijn trouwens van harte welkom. Hij wil ook exposities organiseren.

Vergeefse moeite? “Zeker niet,” zegt Jack, “ik kwam pas nog een jongen van hier op een brommer tegen. Hij was dikker geworden en hij had een baan gevonden. Het geven van een boterham, het samen tekenen en praten doet iemand wel eens besluiten uit de 'scene' te stappen. Over mijn werk maak ik me weinig illusies. Een enkeling herkent me als ik terugkom van vakantie. Anderen zie ik nooit meer. Overleden, of vertrokken naar een andere stad.”