Decemberjunk

Op mijn werkplank ligt naast de kerstkaarten nog een zielig strookje ribkarton. Het laatste spoor van wat eens mijn chocoladeletters waren. Onrustig schuif ik door de kamer. Alle kastjes zijn leeg. Op het bureautje liggen alleen maar papieren. En toch weet ik zeker dat ergens in dit huis nog een melkletter moet liggen. “Waar is jouw M?” vraag ik aan mijn moeder.

“Waar is die van jou?” vraagt zij. En ze schudt haar hoofd. Mijn moeder lijnt en ze vindt dat ik een rolstoelbuik krijg. En dus staat er op tafel een schaal met komkommer en worteltjes. Maar ik ben geen konijn.

Ik ben een chocoladejunk. Gaat er wel eens een dag voorbij zonder...? 's Nachts in mijn droom loopt het water me in de mond. Ik proef flikken en witte en bruine repen. En overdag op school, als mijn leraar economie het over impulsaankopen heeft, zie ik het rek naast de kassa van het benzinestation. De lilapauzes, kitkats, marsen en lions. Wat impuls? Ik plan het van tevoren. Als er getankt moet worden, ben ik van de partij. De auto leeft op benzine, ik op chocola.

Boven op zolder studeert mijn vader voor zijn kerstconcert. Mijn moeder is boodschappen doen. “Neem je hulstblaadjes mee of musketkransjes?” roep ik haar na. Nu wordt ze driftig.

Ik moet mijn wiskundesommen maken, maar ik kan mij niet concentreren. Ergens moet toch die letter liggen. Ik denk aan:

1. de kinderen in Sarajevo en Afrika die al blij zijn met een droge boterham

2. de twee dikke puisten op mijn kin

3. mijn tanden die straks even bruin zijn als de chocola

4. mijn nieuwe zwarte spijkerbroek die nu al bijna niet meer dichtgaat

5. meisjes houden niet van jongens met vetzwembanden.

Maar het helpt niet. Ik doe de hoge kast open en schuif de stoel ervoor. Zo, nu kan ik drie planken overzien. Ha, kerstkransjes. Die zijn verstopt achter de kopjes. Hap. Eentje zullen ze niet missen. Twee ook niet, hap. Daarboven staan de taartbordjes, en de soepkommen. Ik kijk goed. Geen letter M. Als ik me nu helemaal uitrek kan ik met mijn vingertoppen nét bij de bovenste plank. Ik zie de deksel van de hoge sterretjestrommel. Die kan ik wel opzij schuiven. Ik tast naar links en naar rechts en dan glijdt er iets langs mijn wijsvinger. Raak! Ik weet het meteen, cellofaanpapier. Met mijn nagel haal ik hem naar voren. Ja hoor, nu kijkt hij over de rand, een wit hoekje met een blauw rondje. Ik wip hem van de plank. Hebbes. Hoor ik daar nu de buitendeur piepen? Nee, toch niet. Maar dan gebeurt het. De kersttrommel verliest z'n evenwicht en stuitert op mijn hoofd. Een donderslag en dan liggen we samen op de grond. Hij in een deuk en ik naast het deksel. En daar ligt ook de chocoladeletter. Niks aan de hand dus. Ik grijp het doosje en scheur het doorzichtige papier eraf. Daarna gaat het makkelijker. De M heeft voor mij al twee poten gebroken. Dat hapt lekker weg. Er blijft nog een V over. Zal ik die dan maar terugdoen? Of toch ook maar opeten? Ik neem een verstandig besluit. Eén zo'n zielig eenzaam stukje, dat is niks. Hap.

Elk jaar tegen kerst bakken we tulband. En koekjes. In de kamer branden kaarsen. Robert, Marc en ik kneden het deeg voor de sterren en de klokken. En Wieteke van Dort zingt kerstliedjes. “Midden in de winternacht, ging de Hema open,” zong Robert vorig jaar nog. Maar nu weet hij beter. Marc niet. Die timmert op de deegbal en zingt 'dag szjinterklaaszje'. Mogen we er cacaopoeder doorheen? De helft van mijn koekjesdeeg zit al in mijn maag. Op het rooster staat de tulband af te koelen. “Kijk uit hoor,” zegt m'n moeder. “Wacht maar, ik doe hem wel vast in de trommel voordat hij valt. Waar zou ik die nu hebben gezet...?” Zij is altijd van alles kwijt. “Op de bovenste plank van de kast,” zeg ik. “Maar er zit wèl een deuk in.” “Ons huisgeheugen,” zegt mijn moeder. En ik kijk naar mijn mislukte ster.