De eredienst van het lekkere gevoel; Drugs en popmuziek: een onverbrekelijk verbond

Popmuziek en drugs worden nog steeds vaak in combinatie geconsumeerd, waarschijnlijk vanuit het idee dat ze elkaars beleving versterken. Bovendien zouden zonder heroïne, marihuana, speed of cocaïne allerlei nummers waarschijnlijk niet, of niet zo, ontstaan zijn. Toch hebben drugs niets te maken met wat je in een kunstwerk raakt.

“Wanneer voel jij je eigenlijk nog gelukkig?” vroeg Lotje IJzermans van het VPRO Radio 3 programma Villa 65 vorig jaar aan Bob Forrest, de gekwelde zanger van de inmiddels ontbonden groep Thelonious Monster, nadat deze elke daaraan voorafgaande vraag benut had om een zo zwart mogelijk beeld van zijn wereld te schetsen. Nu ontvouwde zijn gezicht zich tot een grote grijns. “Wanneer ik op weg ben om te scoren. Dus niet als ik de naald in mijn arm steek en de witte hitte naar binnen voel stromen. Nee, daarvóór: wanneer ik in mijn auto door L.A. rijd, op weg naar mijn dealer, in de wetenschap dat hij mij staat op te wachten met eerste klas smack.”

Inmiddels heeft iedereen een hekel gekregen aan junkies, maar er is een tijd geweest dat dergelijke opmerkingen binnen de rock 'n roll cultuur niet met omhoog geschroefde ogen of neutraal mededogen maar met een zeker ontzag werden begroet. Dit, was toen de gedachte, waren de woorden van iemand die bereid is de rock 'n roll state of mind en het daarbij behorende leven op de inhaalstrook tot zijn uiterste grenzen te verkennen: een dappere krijger op het door Extase en Dood gemarkeerde veld van eer. Lou Reed, Keith Richards, Jimi Hendrix, Sid Vicious, Johnny Thunders - ze hadden allemaal iets van het aura van een duistere engel om zich heen, waardoor je als rock 'n roll discipel het gevoel kon krijgen dat je misschien wel een zeer essentiële ervaring misliep als je niet hun voorbeeld volgde.

Dit was in de tijd dat men nog dacht in termen van 'ervaringen' als munteenheid om de waarde van je leven mee te bepalen en er onmiskenbaar een waas van revolutionaire romantiek om drugsgebruik in het algemeen hing: de belofte van een initiatie waarmee je in één klap ook je lidmaatschap van de rock 'n roll cultuur voor het leven veilig stelde, en hé, wie wil er nou oud worden? Afwachten is voor watjes en bovendien: waar heb je de toekomst voor nodig als je de mogelijkheid hebt om alles wat het leven te bieden heeft zoniet in één keer, dan toch wel in extra grote eenheden hier-en-nu op te nemen? Verander de wereld, te beginnen bij je eigen perceptie ervan.

Wat mij persoonlijk betreft, de neiging om af te dwalen van 'de afgegraasde weides van de alledaagse ervaring', zoals Hans Verhagen het eens formuleerde, is mij niet vreemd, maar van sterke verhalen over drugs krijg ik altijd net zoiets wazigs en afwezigs als wanneer in de tram een volslagen vreemde opeens zijn droom van de afgelopen nacht in m'n oor begint te toeteren. Of ze me nou vertellen dat er een kermis in je hoofd is die je gezien moet hebben, of dat je vier dagen achter elkaar op kunt blijven, of als een zonnebloem opengaat voor alles en iedereen om je heen, of alleen 'with a little help from my friends' kan begrijpen wat goede seks is of waar het Tibetaanse Dodenboek over gaat - ik geloof u op uw woord, maar Ik Ben - zoals Kuifje's Kapitein Haddock eens ten einde raad met zwart krijt op een muur schreef om Professor Zonnebloem duidelijk te maken dat ze geen gebruik wensten te maken van zijn nieuwste vinding - Niet, ik herhaal: Niet Geïnteresseerd. Sterker nog, ik heb het eigenlijk altijd nogal kinderachtig, om niet te zeggen een beetje onwaardig gevonden, al dat gedoe rond pilletjes, poedertjes, grasjes en klontjes: de hele eredienst van 'het lekkere gevoel'. Maar ga gerust uw gang, het staat er voor.

Draagkracht

De cultuur is inmiddels de afgelopen veertig jaar al diverse malen zo drastisch door de popmuziek overhoop gehaald, dat, op enkele wereldvreemde enclaves na, iedereen, graag of niet, automatisch deel uitmaakt van de rockcultuur, en de consumptie van drugs is ook allang geen revolutionaire daad meer, maar gewoon iets dat al dan niet onderdeel uitmaakt van ieders individuele consumptiepatroon: verslaving naar draagkracht, psychisch, fysiek en financieel.

Popmuziek en drugs worden nog steeds vaak in combinatie geconsumeerd, klopt, waarschijnlijk vanuit het idee dat ze elkaars beleving versterken: de roes van opwinding, vrijheid, een nieuwe identiteit. Als je drugs definieert als alles waaraan een mens verslaafd kan raken en dat weer als alles wat je ervaring van het moment intensiveert, is popmuziek zelf natuurlijk ook een drug, één die tot serieus vrolijke vormen van ritme-verslaving kan leiden. Je kunt zelfs een lijst proberen op te stellen van de diverse genres en de met hen verwante stimulantia: reggae en ganja (relaxed en in), disco en cocaïne (koel en egocentrisch), house en XTC (extatisch narcistisch), rock 'n roll en drank (uitgelaten, agressief of sentimenteel dronken), jazz en speed, rap en isostar, punk en lijm, etc. Muziek is wat mij betreft echter een 'reality-drug' en wat zij aan ervaringen en inzichten oplevert, halen kunstmatige drugs, of beter het wegebben van hun effect, in de morgen weer weg - als repo-men die je auto bij je weg komen halen als je je aflossingstermijnen te vaak mist. “Crashing into the walls of the dream-room,” heb ik iemand die ervaring wel eens treffend horen omschrijven.

Maar wacht eens even, man. Dacht je nou echt dat de solo van Hendrix in 'Machine Gun' bestaan zou hebben zonder horse, of 'Visions Of Johanna' van Dylan zonder grass, of 'Tomorrow Never Knows' van The Beatles zonder acid, 'Station to Station' van Bowie zonder coke, en 'Anarchy in the UK' zonder speed? Nee, waarschijnlijk niet, dat wil zeggen: niet precies zo, nee. Net zo goed als een groot deel van het werk van Charles Baudelaire of William Burroughs, etc. er zonder dope heel anders uit zou hebben gezien. Nou en? Waar het om gaat is dat de waarde van genoemde werken niet bepaald wordt door wat de artiest heeft ingenomen, zelfs niet door aard en getal van zijn ervaringen, maar door het vakmanschap, de verbeelding, de originaliteit van de wijze waarop hij uitdraagt wat hem door het hoofd en hart spookt. Drugs hebben, voor zover ze al iets te maken hebben met de schepping, zeker niets te maken met de betekenis van een kunstwerk, dat wil zeggen wat je erin raakt, en die betekenis is al dat telt, óók in de popmuziek, zèlfs waar die - als Zen - pretendeert niets te betekenen.

Sjamaan

Om misverstanden te voorkomen, ik zou mijn rock 'n roll ook niet graag zonder drugs zien, met de nadruk op zien. Daarvoor zijn de beelden die de combinatie oplevert vaak te sterk, te prikkelend en opruiend mooi. Beelden van Hank Williams wiens hart het na een cocktail van pillen en tequila begaf op de achterbank van zijn Cadillac, Charlie Parker creperend voor de televisie, Elvis imploderend op de wc. Op het podium: Jerry Lee Lewis, hysterisch hikkend achter zijn piano waarin meer gesels opgeslagen liggen dan in de Doos van Pandora, Jim Morrison, zwaaiend als een oude sjamaan, Alan Vega, schaduwboksend met de Vietcong, Eric Clapton bij The Plastic Ono band in 'Cold Turkey' solerend op een gitaar bespannen met zijn eigen aderen terwijl John Lennon ondertussen kermt als een hond die binnen wil komen uit de kou. Maar ook de dwaze gelukzaligheid en gelukzalige dwaasheid van Woodstock, de als eskimo-kussen zo tedere kopstoten van de punks en de buitenzinnige dansmarathons van de House Parties. Extase en dood markeren hier en daar nog steeds het terrein waar de rock 'n roll oorlog wordt gevochten. Het is nu alleen een puur persoonlijke aangelegenheid en wie nu nog sneuvelt of verslaafd raakt, geldt niet meer als held, alleen als verliezer.

Daarmee ben ik terug bij Bob Forrest - een man die zo'n afkeer van winnaars heeft dat hij bij wijze van spreken vals zou spelen om maar te verliezen - en wat hij aan het begin zei over zijn 'voorpret' bij het 'scoren'. Op precies dezelfde manier heb ik iemand wel eens horen praten over zijn 'hoeren-verslaving': het ging hem allang niet meer om de seks, die was over het algemeen van abominabele kwaliteit, maar om het magische moment dat iets in het oogcontact met de vrouw achter het raam hem duidelijk maakte, 'hier ga ik naar binnen'. Voor het adrenaline-shot der verwachting van die ene seconde, een travestie van liefde op het eerste gezicht, werd hij, als door een magneet en tegen al zijn verstandelijke overwegingen in, telkens weer naar de rosse buurt van zijn woonplaats getrokken. Daarin ligt volgens mij het wezen van elke verslaving: waar je niet meer zonder kan is niet zozeer het spul zelf als wel het gevoel van het nodig hebben van het spul, wat het ook is - dat er tenminste iets in het leven is dat zo belangrijk voor je is dat je niet zonder kan, en zo zin geeft aan je leven. Ook al is het dan alleen voor de vorm, verslaving, het woord zegt het al, is een vorm van dienen: de kostbare wetenschap dat er iets is dat sterker is dan jezelf en je zo in zekere zin verlost van jezelf.