De blinde van Manoa

Manoa, diep in de Amazonas op de grens van Brazilië en Bolivia, daar waar de rivier de Madeira majestueus begint te worden, was wel de laatste plek waar je iemand als John T. Aldrich III zou verwachten. Met zijn stuk of vijftig hutten, een half dozijn keten die huizen werden genoemd en de grenspost, was het eind 1951 wat je met recht een godvergeten oord kunt noemen.

Richting oosten deed de boot er twee dagen over om in Porto Velho te komen, net zo'n gat. In het westen, zo werd er gezegd zonder dat iemand het zeker wist, lagen bergen met eeuwige sneeuw. Links en rechts van de rivier begon na enkele tientallen meters het oerwoud, onmiddellijk zo dicht dat het er ook overdag halfdonker bleef, een natte hel.

De komst van de boot met winkelspullen, de post en een of andere ambtenaar of verdwaalde reiziger - onregelmatig en daarom altijd even verrassend als een wonder - was het grootste vermaak voor de iets meer dan tweehonderd zielen die door het noodlot waren aangewezen om daar te worden geboren, te sterven en zich in de tussentijd te vermenigvuldigen. En zich vermenigvuldigen deden ze. Zodat je, als de boot aanlegde en ze allemaal toesnelden, van een ware menigte kon spreken.

John T. was naar Manoa gekomen met het vage idee om een tijdje een statische en exotische vorm van geluk te genieten. Hij was overal geweest, maar voelde een leegte in zijn ziel en zolang hij nog niet wist wat zijn lot inhield, leek het Amazonegebied hem een aangenamere plaats om daarop te wachten dan Connecticut. Hij bleef. De eenzaamheid beviel hem en het enige waar hij zich over verbaasd had, was het schouwspel van de blinden, soms twee, soms drie of vier, die aan de waterkant gingen zitten en door kwajongens uitgejouwd werden met: 'Pikkie af, pikkie af!'

De missionaris had toegegeven dat het een barbaars gebruik was, maar hij kende zijn parochianen al te lang om tegen hun eergevoel in te durven gaan. Moord was voor diefstal, meningsverschillen, onbenullige kwesties. Maar een man die in zijn eer was aangetast door het gedrag van vrouw of dochter had maar één uitweg: de boosdoener castreren en hem de ogen uitsteken. De laatste tijd begon het trouwens normaal te worden om ook de vrouwen blind te maken.

Liggend in de hangmat tussen de twee boomstammen die zijn hut stutten, schommelde John T. zachtjes heen en weer en dacht aan de hallucinaties van de peyotl die hij had leren kennen in Mexico, de milde euforie van de Braziliaanse maconha, de woeste waanzin veroorzaakt door de chinchonete seco die hij ooit in Barcelona had gedronken.

Hij voelde zich die late namiddag intens gelukkig, zoals hij daar op cocablaadjes lag te kauwen en af en toe een slok nam uit de fles cachaça die Simona voor hem had neergezet op de krat naast de hangmat. Opvallende naam in zo'n gat, Simona. Hij had een Simone gekend in Yale, een andere in Parijs, een Simonetta op Bari, en aan alle drie koesterde hij dierbare herinneringen. Maar Simona, met haar veertien of vijftien jaar veruit de jongste, versloeg hen met glans in bed. Wat een lijf! Wat een vuur in die zwarte ogen! Het kon hem niet schelen hoe anderen erover dachten, maar na al zijn ervaringen was seks voor hem toch nog steeds de ultieme drug.

Hij stak een vers cocablad in zijn mond, dronk nog een slok. Die missionaris met zijn horrorverhalen en geklets over honor! Wat kocht je nou niet in Manoa voor tien of twintig dollar? Hij doezelde verzaligd weg, werd weer wakker, nam opnieuw een teug en keek met wazige blik naar de gestalte die afstak tegen het licht van de deur.

'Hé, Pedrito!'

Voor het gemak noemde hij ze allemaal Pedrito. Het was Simona's man of broer, misschien haar neef, hij wist het niet zeker. In ieder geval familie. John T. liet zich op de grond glijden, pakte de fles, stak zijn hand uit naar de bezoeker, die roerloos, met gebalde vuisten voor hem bleef staan.

'Ga zitten, hombre.'

Zwijgend schoof de man de stoel een eindje opzij met zijn voet, ging zitten, legde zijn handen neer, deed ze langzaam open en over de tafel rolden twee bloederige ogen.