Cyrano op de divan

Han Groen-Prakken en Antonie Ladan, redactie: The Dutch Annual of Psychoanalysis 1993 304 blz., Swets & Zeitlinger 1993, fl.67,50

De Nederlandse branch van het 'Freudconcern' is al lang niet meer wat zij geweest is. In de jaren vijftig en zestig genoten de analytici ten onzent door hun geschriften internationaal althans nog enige bekendheid. De Nederlandse psychoanalytica Han Groen-Prakken, een der redacteuren van het onlangs verschenen boek The Dutch Annual of Psychoanalysis 1993, noemt deze periode zelfs de 'Gouden Eeuw', maar dat lijkt me overdreven. In elk geval koestert de Nederlandse psychoanalyse zich sindsdien in de rol van de Schone Slaapster die zich in een obscure sluimer bevindt. In de ogen van het buitenland kreeg de Nederlandse zielkundige provincie steeds meer het aanzien van een conservatief bolwerk, waarin geen enkele nieuwe ontwikkeling plaatsvond. The Dutch Annual, het eerste jaarboek op dit gebied, moet aan deze zieltogende toestand een einde maken. Het is een felicitatie waard. Het merendeel der bijdragen is overigens al eens eerder gepubliceerd, zoals de Lacaniaans gekleurde bijdrage over de symbolische vader van Anton Mooij en het bewerkte stuk van Jacob Spanjaard over de grootheidswaan, door hem een typisch Nederlandse specialiteit genoemd, die export verdient.

De eerste twee hoofdstukken handelen over de geschiedenis van de psychoanalyse in Nederland. Veel nieuws valt hier niet te beleven. Geestig is wel die andere specialiteit die hier opduikt: Hollandse zuinigheid. De laatste tijd kruipen de op de klassieke analyse gebaseerde Psychoanalytische Vereniging te Amsterdam en het meer verlichte Psychoanalytisch Genootschap te Utrecht een beetje bij elkaar, maar de eerste decennia was verdraagzaamheid tussen de analytici in ons land nog ver te zoeken. De onderlinge animositeit uit de beginjaren is volgens Han Groen-Prakken terug te voeren op de kwestie Freud-Jung, die de psychoanalytische beweging in Nederland meer dan dertig jaar schade zou hebben berokkend. Grappig genoeg maakte de 67-jarige arts Albert Willem van Renterghem, de Amsterdamse suggestietherapeut en pionier op het gebied van de klinische psychotherapie, in 1912 zijn Canossagang, zoals Jung het noemde, naar Zwitserland, niet omdat hij zich meer door Jungs inzichten aangetrokken voelde, maar omdat Zurich dichter bij Amsterdam lag dan Wenen en Jung bovendien de helft minder honorarium vroeg dan Freud. Grote verschillen van inzicht tussen de analytici onderling zoals in het Verenigd Koninkrijk tussen de epigonen van Anna Freud en Melanie Klein heeft Nederland niet gekend met als uitzondering de kwestie of het ondergaan van een leeranalyse verplicht moest worden gesteld.

Psychopathisch

Niet alles in The Dutch Annual is even geslaagd. Met het wetenschappelijk onderzoek naar het psychoanalytisch gedachtengoed is het in Nederland bijvoorbeeld droevig gesteld, zo blijkt uit dit boek. De laatste drie bijdragen waarin Bogels, Wille en De Wolf de essentie van hun proefschriften weergeven, stellen weinig voor en hadden naar mijn smaak beter weggelaten kunnen worden. Werkelijk schitterend daarentegen zijn de klinische gevalsbesprekingen van Nikolaas Treurniet, Antonie Ladan en Jaap Ubbels, die alle drie gaan over mensen die een uitzondering zijn. Ladans patiente heeft de fantasie een uitzondering te zijn, Ubbels' zeventienjarige analysant Jan voelt zich door zijn gemiddelde intelligentie temidden van een stel slimmerds in het ouderlijk gezin een absolute nul, Treurniets patient is echt een uitzondering omdat hij een moord heeft gepleegd. Voor mij spant deze Dostojevskiaans aandoende casus Murderous Guilt de kroon. Het is ondoenlijk deze casus hier uitvoerig uit de doeken te doen, maar in het kort gaat het om de psychoanalytische behandeling van een homoseksuele man die met tweeentwintig jaar in Zweden samen met een landgenoot een gruwelijke moord pleegt op een Nederlandse knaap, waarna hij in de forensisch-psychiatrische Van Mesdag Kliniek in Groningen wordt geplaatst. Onverklaarbaar en bizar is aanvankelijk de gedachte van deze jonge moordenaar dat hij altijd al geweten had ooit een moord te zullen plegen.

De man groeide als jongste op in een roomskatholiek arbeidersgezin met zes kinderen. Zijn moeder overleed toen hij nauwelijks vier jaar oud was, waarna zijn sterk religieus ingestelde vader, overmand door verdriet, de kinderen aan hun lot overliet. In de ontwikkeling van deze jongen vallen zijn onmiskenbaar psychopatische trekken op, zoals het plegen van diefstallen vanaf zijn zesde jaar. Op zekere dag meldt hij spontaan tijdens zijn dagelijkse analyse dat hij voor het laatst in de Zweedse gevangenis in staat was een boek te lezen. Hij zegt dan: 'Raskolnikov, een misdaad gepleegd op grond van schuld en zijn moeder ging met hem mee naar Siberie toen hij veroordeeld was.'' Een misdaad gepleegd op grond van onbewuste schuldgevoelens over de dood van zijn moeder, zoiets is toch je reinste speculatie of is dit nu juist een voorbeeld van diep psychologisch inzicht? In elk geval wordt hij na een behandeling van vele jaren uit de Van Mesdag Kliniek ontslagen, waarna hij voor het eerst van zijn leven een vaste baan en een dito relatie met een man krijgt.

Zeventien jaar later wilde Treurniet hem nog eens opzoeken, maar de man bleek te zijn overleden. Zijn vriend vertelde de analyticus, dat voor de patient schuld altijd een belangrijk thema was gebleven. Ook had hij vaak over het plaatsvervangend lijden van Christus gesproken. Hij overleed een paar dagen voordat hij de leeftijd van zijn moeder had bereikt toen zij stierf. Volgens Treurniet moet dat voor de man een enorme troost zijn geweest. Hoewel de analyse bij de afsluiting geenszins 'klaar' was, was er wel wat veranderd, schrijft hij. Stabiel werk en een vaste partner. Bovendien was het geweten milder geworden en niet langer moorddadig meer. Hoewel, er stond de man nog een verschrikkelijke 'straf' te wachten. Hij overleed aan een hersentumor.

Amusant en een beetje triest is het oorspronkelijk als filmrecensie bedoelde Cyrano de Bergerac van de originele stilist en psychoanalyticus Andries van Dantzig, die zijn bijdrage doorspekt met een aantal prikkelende vragen. Is Cyrano een meelijwekkend figuur? Wat is dat trouwens, meelijwekkend? Wie is Cyrano eigenlijk? Beeldend beschrijft Van Dantzig hoe zielig het lelijke meisje is tegen wie niemand durft te zeggen dat ze de verkeerde jurk aan heeft.

Ook Cyrano heeft iets sneus. Hij is bang het liefdesspel te zullen verliezen en daarom speelt hij het maar niet. Omdat hij bang is afgewezen te worden, verkiest hij het zekere nee boven een twijfelachtig ja. Cyrano wil zijn lelijkheid niet zeker weten, maar weet wel zeker dat Roxane hem niet wil, omdat zijn moeder ook al niet van hem hield, schrijft Van Dantzig. Ineens duikt hier de moeder op, de persoon die door de Freudiaanse analyse enigszins verwaarloosd is. Van Dantzigs conclusie luidt dat Cyrano meelijwekkend en bewonderenswaardig is. Als je naar het stuk zit te kijken doen overdracht en tegenoverdracht hun werk en bekruipt je als vanzelf het gevoel van Cyrano.