Coordinatiecapaciteit

Wat is het borrelen toch iets heerlijks. Denk aan de feestelijke krak waarmee je de schroefdop door de weerstand draait en aan het vrolijke geklok-klok van het schenken. Geweldig zoals de straal het glas weet te raken. Leve de zwaartekracht. Condens wordt zichtbaar op het jeneverglas, het kaarslicht twinkelt in de vers gevormde druppeltjes en het voorgenot trekt door de leden. De eerste slok proeft altijd wat branderig maar na een paar jaar oefening weet je die sensatie als iets prettigs te interpreteren. Als de drank gezakt en vervolgens gestegen is, voel je dat er een paar hinderlijke hersencellen opgeruimd zijn, want bij de ideeënvorming sla je minder zijpaden in en het praten gaat makkelijker. Het heeft zijn voordelen, een beetje te rommelen aan je bewustzijnsinstrumentarium.

Het verbaast mij overigens altijd weer dat de mens, zo tuk op bewustzijnsverandering door drank of drugs, zo bang is voor de dood. Als meest radicale bewustzijnsverandering is de dood een absolute must, ook als er daarna nog wat komt.

Je kunt drinken omdat het zo lekker smaakt, je kunt drinken om de roes en je kunt het combineren. Bedenk wel: geniet maar drink met mate. En als je onmatig genoten hebt, ga dan nooit met de auto maar ook nooit met de trein. Dronkaards zijn vaak weerzinwekkend en zelden leuk. De dronkaard die weet hoe het hoort, gaat lopen. In dat geval weet hij meestal ook dat de rechte lijn de kortste verbinding is tussen twee punten maar toch houdt hij een zigzagkoers aan. De zijpaden die in zijn hoofd afgesneden zijn, worden blijkbaar tijdens het lopen gecompenseerd.

Matig drinken is goed. Maar waar is onmatig drinken goed voor?

Wijlen de dichter Alain Teister vertrouwde mij ooit toe dat hij onder invloed van de jenever in een gedicht het woord 'dubbel' met dubbel 'l' had geschreven: dubbell. Ook de volgende dag had deze vondst in zijn ogen grote kwaliteit. Van schrijvers hoor je vaak dat ze in benevelde toestand een beslissende wending in een werk aanbrengen waarvoor ze, weer nuchter, Koning Alcohol op hun blote knieën danken.

Ik heb zelf ook eens onmatig genoten en ik herinner mij dat het me bij die gelegenheid de grootste moeite kostte, de fiets te bestijgen. Of ik het nu van de ene of van de andere kant probeerde, ik schoot er telkens overheen. Een groepje voorbijgangers vond dat vermakelijk. Zelf zag ik het als een experiment. Ik ging er kennelijk van uit dat mijn fiets een onderaards contragewicht had waardoor hij haaks op de aarde zou blijven staan. De praktijk leerde anders. Op zulke momenten besef je hoe miraculeus de coördinatiecapaciteit van de nuchtere mens is, die erin slaagt met het opstapbeen een opwaartse en met het andere been niet alleen een voorwaartse duw (voor het been zelf een beweging naar achter), maar ook een opheffende beweging over de bagagedrager en vervolgens een zijwaartse, trapperzoekende beweging te maken. Dit nu, lukte me niet. Ik vond een omstander bereid de fiets onder mij rechtop te duwen zodat ik slechts hoefde te gaan zitten.

Toen ik eenmaal in het zadel zat, beschikte ik over een bovennormale trapkracht die me in staat gesteld zou hebben een volle veewagen uit de sloot te trekken. Prinsheerlijk fietste ik over de gracht tot een agent, een dom blondje, mij een stopteken gaf dat ik abusievelijk als de Hitler-groet interpreteerde. 'Foei!' schalde mijn geschoolde stem door de nacht.

De agent nodigde mij uit een gereedstaand Volkswagenbusje binnen te gaan. Ik zag wel wat in een confrontatie met de sterke arm en ging door de schuifdeur naar binnen. 'Denk om uw hoofd', klonk het zorgzaam. We kwamen tegenover elkaar te zitten aan een handig klaptafeltje en - de datering druipt er van af - hij begon mij te beschuldigen van wielrijden tegen de rijrichting.

'Papperlepap', dacht ik. 'Deine Sorgen möcht'ich haben.' Om vier uur 's morgens. Met de fiets in de verkeerde richting. Ik besloot te onderhandelen.

'Heb je koffie?' vroeg ik coöperatief. Ik was uit op een win-win resultaat. Hij promotie, ik een rijke ervaring.

'De kan is net leeg, helaas.'

'Kijk eens hier, jij staat te zwaaien als een Vopo. Je komt met de lulligst denkbare beschuldiging. Ik heb een kegel tot voorbij de overkant maar je zegt niks over mijn drankmisbruik. Mijn kapotte achterlicht is je ontgaan. Mijn bel mist alle rinkelvermogen. Is er nog elan bij de politie of hoe zit dat?'

'Vreemd', dacht ik, 'het lukt me niet mijn fiets te bestijgen maar ik slaag er wel in dit agentje te schofferen.'

Was het zelfoverschatting? Hij had een kwitantieboek te voorschijn getrokken en begon te schrijven met een rust of ie kleinkinderen had.

'We hebben iets nieuws. Een boter-bij-de-vis-actie. U betaalt vijf gulden contant om aan vervolging te ontkomen.' Het klonk alsof hij bereid was om voor te schieten.

'Hoe kunnen jullie het ervoor doen', en ik wapperde met twee biljetten van vijf gulden. 'Is dit niet kostprijsgerichter?'

'Vijf gulden. 't Is een afkoop. Een proces-verbaal, daar hebben we veel meer werk aan.'

Ik betaalde. Hij had nog een Sisi en verdeelde het flesje over twee plastic bekertjes.

'Ik een beetje meer als jij', zong hij.

We evalueerden de transactie, bespraken de werksfeer in het Amsterdamse corps en zagen de zon achter de Oude Wester opkomen.

'Ik stap weer eens op.'

'U gaat lopen.'

'Wil je me even op mijn fiets helpen? Ik ben nog te kachel voor een reguliere bestijging. Als ik burgemeester word, word jij commissaris.' Hij zette de fiets voor de treeplank van de Volkswagenbus. Ik kon zo gaan zitten. Als vrienden gingen we uit elkaar en ik vervolgde mijn reis tegen de rijrichting.

'Dit is het soort ontmoetingen', mijmerde ik onder het fietsen, 'dat de alcohol teweeg brengt. Vluchtig als het vocht zelve. Kervend in de hersenstam. Beklijvend in het boek der geneugten. Geen Korsakov die zoiets wist.'