Archeologie van de archeologie

William H. Stiebing, Jr: Uncovering the Past. A History of Archaeology 315 blz., Prometheus Books 1993, fl.56,65

Er was een tijd dat archeologie spannend was: toen werd de toon nog niet gezet door bleke wetenschappers die eindeloos keuvelen over potjes in vitrines, maar door avonturiers, schatgravers, zakenlieden en romantische dromers. In het kielzog van de westerse koloniale expansie van de 18de en 19de eeuw waagden die zich in zowat alle maagdelijke gebieden ter wereld. Op zoek naar goud, roem en verloren beschavingen - in deze volgorde. Velen kwamen van een koude kermis terug, sommigen werden rijk, enkelen onsterfelijk. En passant werden ook een paar ontdekkingen gedaan die de kijk op de menselijke geschiedenis ingrijpend veranderden. Zoals de steen van Rosetta in Egypte, de steden van de Maya's in Mexico, de grotschilderingen van Altamira en de schedel van de Javamens in het Verre Oosten. Van enige pieteit ten opzichte van dit herwonnen cultuurgoed was nauwelijks sprake. Beelden werden met het grootste gemak in stukken gezaagd, heiligdommen leeggeroofd, muren en zuilen neergehaald, graven opengebroken, vondstmateriaal weggegooid, goud omgesmolten en bewoningslagen vernietigd. Verhelderend is in dit opzicht het relaas van de Italiaanse avonturier-archeoloog Giovanni Battista Belzoni (1778-1823). Deze voormalige circusartiest stampte, op zoek naar oudheden in het Dal der Koningen te Luxor, zonder pardon maar voorzien van een zwaarbewapende lijfwacht door de graven van de oude farao's. Oprecht was hij wel. 'Met iedere stap verbrijzelde ik een of ander onderdeel van een mummie,'' schreef hij onverbloemd in zijn memoires, 'en dat uitsluitend met het doel de Egyptenaren van hun papyri te beroven.''

Hoe archeologisch avontuur sindsdien tot oudheidkundige wetenschap werd, beschrijft de Amerikaanse historicus William Stiebing Jr. in zijn recent verschenen boek Uncovering the Past. Als hoogleraar aan de Universiteit van New Orleans doceert Stiebing al vijfentwintig jaar over de geschiedenis van de archeologie. Als geen ander weet hij dus dat er weinig bevredigende literatuur over dit onderwerp bestaat. Of de boeken zijn te glossy en te algemeen of ze zijn juist te specialistisch en boordevol vakjargon. Vandaar dat hij zelf naar de pen greep.

Tot nu toe publiceerde Stiebing voornamelijk over bijbelse archeologie, waaronder werken als Ancient astronauts, cosmic collisions, and other popular theories about man's past, waarin hij de theorieen a la Von Daniken over de oudheid aan de tand voelt. Zijn nieuwe werk is ambitieuzer. Uncovering the Past is een leesbaar en handzaam overzicht van de ontwikkeling der archeologische wetenschap sinds de vijftiende eeuw. De klemtoon ligt op de geschiedenis van ideeen, van onderzoeksmethoden en van manieren hoe mensen naar het verleden kunnen kijken. Stiebing probeert met die aanpak te vermijden dat dit ingewikkelde verhaal verzandt in een opsomming van de beroemde vondsten en ontdekkingen. Dat is alleszins redelijk gelukt, hetgeen ook blijkt uit het feit dat op de afgelopen Frankfurter Buchmesse Oxford University Press de rechten voor de Britse editie kocht.

Falsificatie

De Amerikaanse hoogleraar pakt in zijn boek breed uit: hij bestrijkt de archeologie van 1450 tot nu, en van Italie tot Zimbabwe, van Ohio tot Ceylon - en verder. In zijn deel over de 'heroische tijd van de archeologie' vertelt Stiebing het bekende verhaal over archeologische pioniers als Belzoni, Heinrich Schliemann en Austen Layard, de ontdekker van onder andere Ninive. Hij zet ze echter niet als helden op een voetstuk, noch romantiseert hij hun belevenissen. Dat is een verademing, vergeleken met de Indiana Jones-toon waarmee meestal over deze figuren wordt geschreven.

Het nadeel van die neutrale benadering is dat Stiebing niets meldt over alle onthullingen over bedrog en malversaties die de laatste tijd bekend zijn geworden van deze oer-archeologen. Zo lezen we niets over de heftige internationale discussie over de kunstgrepen waarmee Schliemann zijn ontdekkingen in Troje en Mycene ensceneerde. Tegenwoordig wordt in de vakbladen openlijk gesuggereerd dat de 'Schat van Priamus' waarschijnlijk op de zwarte markt werd gekocht en dat zelfs het gouden masker van Agamemnon een falsificatie is.

In Uncovering the Past is helaas weinig ruimte voor de moderne tijd en de huidige stand van zaken in de archeologie. Blijkbaar is Stiebing in deze materie niet zo op zijn gemak, want naast het signaleren van dateringstechnieken als de C14-methode en dendrochronologie, en een kort expose over het gebruik van de computer door archeologen, wordt dit onderwerp wel erg snel afgeraffeld. Grootheden als David L. Clarke, Lewis Binford en Colin Renfrew, de pioniers van de New Archeology, worden niet of nauwelijks genoemd. Zij mogen dan bij het grote publiek weinig bekend zijn, hun betekenis voor de ontwikkeling van de wetenschap is van enorm belang. Opmerkelijk is dat Renfrews eigen inleiding in de archeologie, Archaeology (1991), juist een spiegelbeeldige opzet biedt: weinig over de geschiedenis en veel over nieuwe ontwikkelingen en moderne methoden.

Stiebing beklemtoont (net als Renfrew overigens) dat de hedendaagse opgravingstechnieken, verklaringsmodellen en wetenschappelijke aanpak eindprodukten zijn van een lange ontwikkeling. Bij al die spectaculaire vooruitgang dient niet vergeten te worden, schrijft hij, dat 'wij veel beter de zaken kunnen overzien dan zelfs de grootste van onze voorgangers, omdat wij op hun schouders staan''. Dat perspectief is de kern van Uncovering the Past. Mensen hebben altijd over hun verleden gespeculeerd met de middelen die hun ten dienste stonden. In de vorige eeuw was het een dogma voor de katholieke kerk dat de wereld ontstond in het jaar 5000 voor Christus, terwijl de protestanten in 4004 voor Christus de kalender lieten beginnen. Vuurstenen artefacten uit de Steentijd (ca. 2.000.000-3000 v.Chr.) werden toen, ook door wetenschappers, beschouwd als 'toverpijlen van elfjes of donderstenen', ontstaan tijdens onweer. Fossielen werden eveneens verklaard als een gril van de natuur. Als het al niet ging om de overblijfselen van eenhoorns of draken, of bewijzen van de bijbelse Zondvloed, dan waren het toch zeker indicaties dat de Schepper zijn mislukte probeersels bij het creeren van leven diep onder de aardkost had verstopt.

Pas in de loop van de 19de eeuw vielen de schellen gaandeweg van de ogen met het aanvaarden van de drie belangrijkste concepten in de moderne archeologie: Darwins evolutieleer, de hoge ouderdom van aarde en mens, en het drie-tijdperken-systeem om de menselijke materiele cultuur te ordenen in Steentijd, Bronstijd en IJzertijd.

Dat een en ander toch vrij langzaam doordrong, kwam niet in de laatste plaats door de Franse zooloog en paleontoloog Georges Cuvier (1769-1832). Zijn theorieen over de onveranderlijkheid der soorten domineerden nog bijna de gehele 19de eeuw. Volgens Cuviers algemeen aanvaarde 'wet van correlaties' gingen bepaalde organen altijd samen met andere organen, en een vaststaand gedrag. Zo hadden gehoefde dieren altijd tanden die hoorden bij een vegetarisch menu en beschikten dieren met klauwen altijd over scherpe hoektanden om vlees te eten.

Het geloof in deze wet was rotsvast, schrijft Stiebing in Uncovering the Past. Dat bleek toen een van Cuviers eigen studenten zich verkleedde als een duivel, compleet met horens en hoeven, en 's nachts de kamer van zijn hoogleraar binnenstormde onder het uitroepen van 'Word wakker! Ik ben de duivel. Ik ben gekomen om je te verslinden!'' Daarop antwoordde de Franse zooloog laconiek: 'Ik betwijfel of je dat wel kan. Jij hebt horens en hoeven, en volgens mijn wet van correlaties eet je dus alleen planten.''