Alsof ze geen rug hebben; De aandacht van dansers voor hun spiegelbeeld

Sommige dansers zijn verslaafd aan hun spiegelbeeld. De spiegel is natuurlijk ook nuttig, om te werken aan kleine en grotere correcties van je techniek en van je lijnen. Maar een gevaar van de spiegel is dat je eigen twee ogen je niet dansend kunnen registreren. Het spiegelbeeld toont alleen poses.

Een danser staat voor de spiegel. De spiegel weerkaatst hem en alles wat er achter hem is. Andere dansers, de muren van de studio met de dubbele barre, de klok, de openstaande deur naar de gang. De danser prepareert zich nauwgezet voor een sprong - als een droogzwemmer markeert hij eerst een paar keer de lucht die zijn armen zullen verplaatsen. Hij richt zijn blik op de ogen voor zich. Vervolgens zakt hij in plié, verheft zich van de vloer, draait één keer om zijn as en komt een seconde later uit balans weer neer. Teleurgesteld laat de danser zijn armen zakken en keert zich om. In de spiegel verschijnt het beeld dat dansers nooit zien, maar waar ze - als katten op jacht naar hun staart - altijd tevergeefs achter proberen te komen.

Het liefst zouden dansers gebruik maken van spiegels waarin ze zichzelf van alle kanten tegelijkertijd konden bekijken. Niet omdat ze, in weerwil van de geijkte opvattingen over dansers, ijdel op het narcistische af zijn. De spiegel vertelt namelijk meestal wat er niet goed aan ze is. Op een enkele keer na: “Soms gebeurt het. Je kijkt en het daagt je: 'Ja! Zó wil ik er uitzien'. Een ogenblik later is die luchtspiegeling al weer verdwenen. Zo lang je danst voel je intuïtief aan dat je altijd op zoek bent naar dat fata morgana”, zegt Ted Brandsen, “en op den duur wordt het een gewenning. Dansers hebben niet eens meer in de gaten hoe vaak ze in de spiegel kijken. Dat merk je als ze in een andere omgeving verkeren. Gewoon op een feestje, bijvoorbeeld. Zodra een danser een spiegel passeert, kijkt hij er in. Toen ik een tijdje gestopt was, merkte ik dat ik af en toe naar een spiegel liep, om te kijken of ik er nog was.'

“Dansers vragen zich altijd af: hoe kom ik over?”, zegt Yteke Waterbolk. “Hoewel ik al lang niet meer dans, is dat gevoel gebleven. Als er, gewoon in de huiselijke kring, foto's worden genomen, ga ik er tòch voor zitten. Na het dansen is de spiegel voorbije tijd geworden, maar ik zou me onbehaaglijk voelen als er nergens spiegels zouden zijn.”

De twee ex-dansers, Ted Brandsen werkte bij Het Nationale Ballet in Amsterdam, Yteke Waterbolk bij het Nederlands Dans Theater in Den Haag, zijn beiden nog steeds bezig met het vak. De een als choreograaf, de ander als coach en adviseur. Hun persoonlijke ervaringen met het spiegelbeeld zijn vermengd geraakt met hun observatie van anderen. De haat-liefde relatie die ze tijdens hun dansleven dag in dag uit hadden met het onmisbare attribuut lijkt door de afstand in jaren geobjectiveerd te zijn. Onafhankelijk van elkaar praten ze bedachtzaam over dit schijnbaar ingewikkelde onderwerp. Alsof ze telkens de reflectie van vroeger in herinnering roepen. Allebei zouden ze graag hun ondervindingen op jonge dansers willen overbrengen, maar ze weten al te goed dat de omgang met het spiegelbeeld en de gewenning daaraan een individueel proces is.

Gevaarlijk

Yteke Waterbolk: “Het spiegelbeeld is een noodzakelijk kwaad. Je hebt het nodig als commentaar en als controle en toch kun je er niet op vertrouwen. Het vertelt je wel eens de waarheid, maar niet altijd. Je hebt 't nodig, je moet weten dat je er niet afhankelijk van mag zijn, maar je haalt er wel je zekerheid vandaan. De spiegel is gevaarlijk. En dat gevaar duikt al vroeg op. Als puber, meisje of jongen, ben je ontzettend onzeker. Op de academie is de spiegel het bewijs, het enige bewijs zelfs, dat je danser bent. Die bevestiging is het begin van het negatieve beeld: 'er mankeert zo veel aan m'n lichaam' en ook het begin van het positieve beeld: 'ik zie er best mooi uit met die lange armen en benen'. Beide constateringen zijn aanvechtbaar. Want je denkt dat je ziet wat je doet, maar je hebt nog helemaal geen inzicht. Je moet leren hoe de spiegel te gebruiken, want anders houdt-ie je voor 't lapje. Voor je het weet, kun je niet dansen zonder spiegel.”

Ted Brandsen: “In het begin durfde ik nauwelijks te kijken, omdat het spiegelbeeld me niet beviel. Toch móet je jezelf aardig vinden, zonder een gevoel van eigenwaarde kun je niet dansen. Maar dat gevoel moet tevens vermengd zijn met een zelfkritische instelling. Het ligt er heel erg aan waar je je opleiding volgt of je die combinatie op de juiste manier ontwikkelt.”

Het vermogen van een danser om te werken aan de verbetering van zijn techniek - een proces dat een dansleven lang duurt - wordt op de opleidingen al te makkelijk verward met het overmatig gebruik van de spiegel. De gewenning wordt al vroeg opgedrongen. Docenten roepen, in een poging de zelfkritiek er in te stampen, al snel: 'Kijk in de spiegel, kijk in de spiegel!' Het resultaat is, dat een beginnend danser zich verlaat op het spiegelbeeld. Want daar is de fout te zien en daar ligt tevens de oplossing. Het tegendeel is waar. Yteke Waterbolk: “Vóór de danser er erg in heeft, zit hij er aan vast. Let alleen op de gestrekte voet in de spiegel, zonder de rest te aanschouwen. Verlegt de balans van zijn eigen lichaam naar dat van die ander daar. Je merkt die slechte gewoonte bij dansers die hun ogen richten op die van hun spiegelbeeld alvorens ze een pirouette maken. Staan ze op toneel, dan gaat het mis. De enige juiste manier om een goede balans te krijgen, is het centrum van je evenwicht in je eigen lijf te vinden. Een pirouette moet uit jezelf komen, want dans moet uit jezelf komen. Wie teveel naar zichzelf kijkt, danst niet. Goede dansers gaan voorbij aan de spiegel.”

Video

Ted Brandsen: “De waarheid in de spiegel, dat zijn je eigen ogen die je aankijken. Die bevestiging is het enige wat je hebt. Maar dat ben je zelf niet, dat is het beeld wat je van jezelf hebt. Jezelf op video zien, is telkens een schok, meestal een zeer onaangename. Je ontdekt allerlei fouten en je ziet ineens hoe andere ogen je bekijken. Video brengt je zo dichtbij, veel dichterbij dan wanneer je naar je spiegelbeeld kijkt. Als je in een grote studio voor de spiegel staat, kun je afstand nemen. Net zo veel afstand als je wilt.”

Uit de pas

Dansers zijn afhankelijk van andermans ogen. De docent, de balletmeester, de choreograaf, de collega's, het publiek. Iedereen kijkt met argusogen naar de technische en artistieke verrichtingen van een danser. Wie opvalt in het corps de ballet raakt uit de pas, wie onopvallend soleert wordt teruggezet. Geen wonder dat de prestaties van het spiegelbeeld een verleidelijke troost kunnen brengen. Vaak betekent de spiegel de enige steun. Het spiegelbeeld kan zelfvertrouwen geven. Een moment lang excelleren met alleen jezelf als getuige. Maar de honger naar zelfbevestiging is gebaseerd op een 'foutieve inleving in het spiegelbeeld', om de dichter Jan Hanlo te citeren uit zijn korte verhandeling 'Oplossing van de spiegelpuzzel' in de bundel Mijn benul (1974).

Yteke Waterbolk: “Sommige dansers verdwijnen zodra de spiegel weg is. Ze staan up stage, dus met hun gezicht naar de zaal, maar ze dansen niet voor de zaal, ze bestaan alleen maar in die tweedimensionale platheid van de spiegel; dat ze ook nog een rug hebben, is niet te merken. Theaterdans is een vak dat je uitoefent vanwege de choreografieën, voor het publiek en om jezelf. Je doet dat vak niet voor die daar in de spiegel!”

Ted Brandsen: “Proberen naar jezelf te kijken alsof dat spiegelbeeld iemand anders is. Naarmate je langer danst, word je objectiever, omdat je gewend raakt aan dat spiegelbeeld. Geleidelijk leerde ik sec op mijn verrichtingen te letten. Alleen, op sommige dagen was de confrontatie zo erg, dat ik niet in staat was de les af te maken. Dan verliet ik de studio.”

De intensieve fysieke inspanning die dansers zich getroosten om voor even dat maximale topstuk te leveren, werkt verslavend. Een danser kan er niet zonder, lichamelijk noch geestelijk en een danser wil er niet zonder, omdat de moeite loont, of omdat de moeite misschien ooit eens zal lonen. Het maakt dansers tot een zeldzaam slag, over wie nog altijd met enige argwaan gesproken wordt. Er is geen andere professie denkbaar waarbij de beoefenaar bovendien dag in dag uit zijn eigen feilen ziet en het bekijken van eventuele triomfen aan anderen overlaat. Hoe is het mogelijk dat men daarvoor verslaafd raakt aan z'n eigen spiegelbeeld.

Ted Brandsen: “De dagelijkse discipline betekent eeuwig vechten om iets te bereiken waarvan je weet dat je het nooit bereikt. Maar de momenten dat je op het toneel staat, is die wetenschap weg. En daar doe je het om. Daarom dans je en daarom vergt een danser zoveel van zichzelf.”

Attitude

Yteke Waterbolk: “De verslaving is een deel van het werk. Je kunt, zoals veel dansers, doen alsof die verslaving doodnormaal is, maar het is beter om haar hanteerbaar te maken en dat kan door de zekerheid in de spiegel naar jezelf toe te halen. Met plezier of zo je wil: met hartstocht werken aan kleine en grotere correcties van je techniek en van je lijnen. Zonder het geheel uit het oog te verliezen. Een ander gevaar van de spiegel is het feit dat je eigen twee ogen je niet dansend kunnen registreren. Je ziet dus alleen de poses tussen de dans in: een perfecte arabesque of een prachtige attitude. Dans gaat niet over poses, dans gaat over ruimtelijkheid. Maar gek genoeg leer je pas gaandeweg om te gaan met de ruimte en de spiegel is daar een hulpmiddel bij. Als je weet hoe hij werkt.”

Ted Brandsen: “Het zijn natuurlijk de conventies van het vak die de gewenning opleggen. De klassieke techniek vereist de spiegel, waarbij het de vraag is of de spiegel haar oplegt, of dat ze de spiegel nodig heeft. In de moderne dans wordt veelal zonder gewerkt. Daar is de spiegel taboe. Moderne dansers werken van binnenuit, dat wil zeggen, het gaat niet om wat de toeschouwer ziet, maar om wat ze zelf voelen. Maar wil je jezelf verbeteren, dan zit er niets anders op dan in de spiegel te kijken en je bewust te zijn van waar je naar kijkt.”

Yteke Waterbolk: “Ik heb mijzelf van begin af aan afgeleerd afhankelijk te worden. Ik gebruikte zo goed mogelijk de docenten, de choreografen, de andere dansers als mijn spiegels. Ik herinner me een docent bij het Danstheater die altijd riep: 'Don't look in the mirror, I'll tell you what is wrong!' Steels keek je dan toch - dansers verdraaien vaak hun ogen om vanuit allerlei hoeken toch hun spiegelbeeld op te vangen -, maar hij had gelijk, want bij het repeteren van ensemblewerk leek het in de spiegel of je automatisch spatgelijk was met de anderen. De overgang naar toneel was des te moeilijker. Daar moet een danser het hebben van de ogen van de toeschouwers en het muzikale gevoel van de anderen naast en achter je. Dans speelt zich af in het hoofd van de danser, niet in zijn reflectie.”

Ted Brandsen: “Je gaat via de omweg van dat spiegelbeeld naar de dans. Je kijkt in de spiegel om jezelf te kunnen loslaten. Want op het toneel kijk je niet meer naar jezelf. Dan zijn de ogen van anderen op je gericht. Dan ben je je spiegelbeeld vergeten.”

Een danser staat voor een spiegel. De spiegel weerkaatst zijn spiegelbeeld en dat van alles wat er achter hem is. Muren van een studio met een dubbele barre, een klok die terugloopt, een openstaande deur naar een gang. De danser en zijn spiegelbeeld preparen zich voor een tour en l'air. Vervolgens sluiten ze hun ogen, zakken in plié, verheffen zich van de vloer en verblijven, om hun as draaiend, secondenlang in de lucht. Bij het neerkomen staan ze met de ruggen naar elkaar toe. Even draaien ze hun hoofden om en knipogen. Dan verwijderen ze zich. De studio is leeg.