Alles van Nijlpaardtand; Gesprek met een bezeten verzamelaar van etnografica

Hij had niet zonder mijn toestemming mijn spaarpot mogen leeghalen, zegt zijn dochter. Ik wist soms niet hoe ik het einde van de maand moest halen, zegt zijn vrouw. Het enige waar een verzamelaar spijt van heeft, is dat hij in een vlaag van zuinigheid iets unieks heeft laten lopen, zegt de collectioneur. In 55 jaar legde hij een unieke verzameling niet-westerse gebruiksvoorwerpen aan.

Het zit in de familie, de liefde voor dingen. De verzamelaar herinnert zich hoe zijn vader, leraar Nederlands, zelfs in de crisistijd thuiskwam met bossen Japanse krissen. Zijn moeder mopperde dan maar begreep het wel, want ze verzamelde zelf ook: Chinees porselein, monochroom aardewerk, snuifflesjes en Indische doeken. Toen hij veertien was, kocht hij op afbetaling zijn eerste stuk, een netsuke (Japanse gordelknoop) voor vijf gulden. Nu is de collectioneur 71 jaar en honderden, misschien wel duizenden aankopen verder. Lang geleden is hij de tel al kwijt geraakt, hij durft zelfs niet te gissen naar de omvang van zijn buiten-Europese verzameling. De drie etages van zijn huis staan er vol mee (één van de redenen waarom hij anoniem wil blijven) en elders in de stad heeft hij een zolder gehuurd waar nog meer wondermooie primitieve gebruiksvoorwerpen uit met name Indonesië en Japan in fruitkistjes en dozen of zomaar op de kale vloer zijn opgeslagen. In meerdere kamers zijn de plafonds naar beneden gekomen en het behang is afgebladderd door het vocht dat langs de muren loopt.

“Een normaal mens zou een deel van zijn collectie verkopen en zijn huis laten opknappen,” zegt mijn gastheer met spottende zelfkennis. “Een renovatie is zeer noodzakelijk, maar ik heb er het geld niet voor.” Op de etages huizen krissen en krisgrepen, tsuba (Japanse zwaardstootplaten), batikstempels, maskers, pijpetui's, muziekinstrumenten, opgezette zee- en Galapagos-schildpadden, reukflesjes, lakstempels, netsuke, schelpen, aardewerk en porselein, kralenwerk, cloisonné, waaiers, goudbrokaten, tempelvoorhangen, mandarijnen-hoeden in bijbehorende koffertjes, kabuki-vaandels, speren en schilden. Belangrijk zijn volgens eigen zeggen de omvangrijke verzameling Japanse keramiek, 'één der weinige substantiële in Nederland' die door zijn moeder is begonnen, en de tsuba-collectie, die hij 'uniek voor dit land' noemt.

“Ik heb een vergelijkende verzameling. Het interesseert me wat een handwerksman met een bepaald materiaal doet, bijvoorbeeld met de nijlpaardtand of de snavel van een neushoornvogel. Daar heb ik voorwerpen van uit Indonesië, China en Japan, maar daarnaast bezit ik ook de ruwe tand of snavel, als ijkpunt. Zo kun je uiteenlopende culturen met elkaar in verband brengen; mijn verzameling is dus een studie-collectie. Er zijn maar weinig verzamelaars die op deze manier dingen bijeen brengen, daarom vind ik dat ik de taak heb om het te doen.” Om wetenschappelijke redenen heeft de collectioneur ook een grote bibliotheek over etnografica: “Als ik echt moet kiezen, gaat een boek vóór een object. Het boek verstrekt immers de kennis, het voorwerp illustreert die.”

Speculaasplank

Ter verduidelijking van de opzet van de verzameling haalt de echtgenote van de collectioneur, die antropologie studeerde en zelf Japanse sjablonen en vlechtwerk verzamelt, een Hollandse speculaasplank uit de keuken. Als ze hem naast koekplanken uit Korea, Japan en Java houdt, is het verbluffend en geestig om te zien hoe ze allemaal op hetzelfde procédé gestoeld blijken.

“Als je je aanwent om te denken dat wij zelf ook maar inboorlingen zijn in dit land, zie je ineens veel parallellen met andere volkeren,” grinnikt haar man. Zo vergelijkt hij de rode punthoeden van de Chinese mandarijnen, die met zwarte zijde zijn versierd, met de hoge hoeden die in Nederland vroeger op begrafenissen werden gedragen: beide werden in speciale hoedenkoffertjes naar de ceremoniële plaats vervoerd. En kabuki-vaandels zijn volgens de geestdriftig vertellende collectioneur 'niets anders dan sponsordoeken zoals wij die in voetbalstadions ophangen.'

De verzamelde voorwerpen kunnen daarom gewoon gebruikt worden, vindt het echtpaar: kletskoppen worden geserveerd in een bewerkte houten schaal uit oostelijk Nieuw-Guinea en de zoute koekjes in een parelmoeren schelp uit de Indische Oceaan.

Een groot deel van de collectie van zijn ouders werd, hoewel zij op het platteland was ondergebracht, in de oorlog vernield of gestolen. Na de luchtlandingen van de geallieerden vond hij alleen splinters terug van zijn moeders collectie lakwerk. “Jarenlang heb ik geen lak verzameld, uit dépit.”

Samen met zijn moeder, die met het ouder worden een steeds grotere gedrevenheid voor het collectioneren aan de dag legde, liep hij veilingen voor etnografica af. Zijn studies Japans en Chinees had hij in de oorlog moeten afbreken en daarna leerde hij als volontair in een meubelfabriek houtbewerken, beeldhouwen en restaureren. Later werkte hij in veilinghuizen, vooral in Duitsland, publiceerde in veilingcatalogi en taxeerde en restaureerde voorwerpen op zijn verzamelgebied.

Waarvan werd de verzameling bekostigd? “Dat weet ik niet zo precies. Mijn moeder betaalde het een en ander voor mij, en verder kocht ik bijvoorbeeld op een veiling onder één lotnummer twaalf voorwerpen waarvan ik er maar een zelf wilde hebben. De andere restaureerde ik zonodig, waardoor ze bij verkoop veel meer opbrachten.”

Onverstoorbaar

In de loop van de 55 jaar dat hij verzamelt, zijn de prijzen van de buiten-Europese kunst echter aanzienlijk gestegen. Onlangs werd in Honolulu een netsuke voor 125.000 dollar gekocht door een Texaanse verzamelaar. Financiële beperkingen zijn voor deze Hollandse etnografica-liefhebber echter nooit een belemmering geweest om door te verzamelen. Niet omdat hij rijk is, maar omdat hij vindingrijk is. En onverstoorbaar.

De collectie ging altijd vóór en dat is nog steeds zo. Als er geen geld was, kocht hij op krediet bij veilinghuizen, en omdat hij niet rijk is kocht hij er zelden te duur. “Met een economische recessie verdwijnen de rijke collectioneurs, die hun aankopen dikwijls beschouwen als investering, het eerst van het toneel, terwijl degenen met een kleine beurs stug en vasthoudend doorgaan. Natuurlijk is een kunsthandelaar of veilinghouder niet dankbaar als een betaling traag binnenkomt. Aan de andere kant weten de meesten dat zij zonodig, en zelden tevergeefs, een beroep kunnen doen op de aldus verzamelde kennis.” Dat geldt trouwens ook voor musea in binnen- en buitenland waaraan de collectioneur delen van zijn verzameling afstaat voor tentoonstellingen. Soms kon hij voor een prikje aanwinsten opdoen, gewoon door goed op te letten. Tien jaar geleden ontdekte hij dat Xenos voor een paar gulden per stuk authentieke houten textielstempels uit India verkocht, van bedrijfjes die daar gesloten waren. Uit het aanbod van honderden exemplaren zocht zijn vrouw de mooiste en zo ontstond een nieuwe, representatieve deelcollectie. Juist een studie-collectie werkt verslaving in de hand, geeft de collectioneur toe: “Als je iets hebt en je ziet een vergelijkingsobject, dan wil je het natuurlijk ook hebben. Zie je iets wat je nog niet hebt, dan wil je het hebben om er een nieuw verzamelgebied van te maken dat nieuw vergelijkingsmateriaal biedt.”

Zijn vrouw merkt op dat het gas en licht diverse malen werd afgesloten, soms voor langere tijd. Sprak ze haar man dan nooit eens streng toe? “Ach, dat had toch niet geholpen,” lacht ze vergoelijkend. “En ik heb het heerlijk gevonden om de dingen zo dichtbij te hebben, in eigen huis. Soms was ik weleens wanhopig en wist ik niet hoe ik het eind van de maand moest halen. Ik herinner me een keer dat er geen brood meer was en precies op dat moment kwam een rijke Belgische verzamelaar langs die tienduizend gulden bood voor een altaarstuk uit Nigeria. We hebben het bod geweigerd.”

Waarom? “Ik verkoop principieel niet rechtstreeks uit huis aan andere verzamelaars,” zegt de verzamelaar, terwijl zijn vrouw instemmend knikt. “Dat is het begin van het eind, dan word je altijd belaagd door kopers.”

Mede omdat hij nu alleen AOW heeft, verkoopt de collectioneur elk jaar toch wel iets; het geld wordt steevast aan nieuwe aanwinsten besteed. “Een collectie kent een zekere evolutie: waar je vroeger tevreden mee was, daar neem je nu geen genoegen meer mee. Elk stuk dat ik nu niet meer opnieuw zou willen verwerven, kan in beginsel verkocht worden. Het is ballast voor de verzameling. Ik heb geleerd van zo'n voorwerp en als ik erop verlies, dan heb ik pech gehad. Als ik lekker uit eten ben geweest ga ik daarna toch ook naar de wc?”

Geen televisie

Klaagden zijn kinderen nooit over de verzamelwoede van hun vader? “Dat wij thuis geen televisie en geen auto hadden en niet naar een pony-club gingen, vond ik niet erg,” zegt een van zijn twee dochters, die een antiquariaat heeft in dezelfde stad en verzamelaar van boeken is. “Maar ik heb het wel erg gevonden als er soms geen geld was om op tijd schoolboeken aan te schaffen en dat we nooit met de hele familie met vakantie gingen. Eén van mijn ouders bleef altijd bij de collectie, die mocht niet onbeheerd achterblijven.” Ze haalt ook leuke herinneringen op: haar vader sleepte een olifantstand naar school toen ze een spreekbeurt hield, haar klasgenootjes mochten 'maskers en monsters' komen spelen op woensdagmiddag. 'Wij hebben thuis een kanon,' kon ik trots op school vertellen. En de kast met krissen oogstte natuurlijk veel succes bij mijn vriendjes.”

Aan een ding denkt de dochter met minder plezier terug. Haar vader haalde eens, zonder haar toestemming te vragen, haar spaarpot leeg, waarschijnlijk om de een of andere aankoop te financieren. “Dat had hij niet ongevraagd mogen doen.” Haar vader herinnert het zich niet, maar geeft ruiterlijk toe: “Ik acht mezelf ertoe in staat. Het was natuurlijk de bedoeling om het spaargeld later weer aan te vullen. Als ik dat niet gedaan heb, is dat niet netjes.”

Was er dan niets dat hem van het verzamelen kon weerhouden? Bedachtzaam antwoordt hij: “Vraag aan een echte verzamelaar waar hij spijt van heeft. Van een foute aankoop? Nee. Daar leer je van. Van een te dure? Ook niet. Dat vergeet of verdring je. Het enige waar een verzamelaar spijt van heeft, is dat hij in een vlaag van zuinigheid iets unieks heeft laten lopen. Terwijl hij het had kunnen hebben!” Enigszins verontschuldigend voegt hij eraan toe: “Als ik op een veiling zat, dan dàcht ik eenvoudigweg niet aan het gas en licht. Want zoals iedere collectioneur uit ervaring weet: de mooiste dingen dienen zich juist aan als je geen geld hebt.”

Zijn dochter vindt dat verzamelaars eigenlijk geen kinderen moeten hebben: “Kinderen moeten vóór alles gaan, terwijl bij dit soort collectioneurs de verzameling op de eerste plaats komt.” Over de psychologie van de fanatieke verzamelaar merkt haar vader op dat 'de beste verzamelaars vaak rücksichtslos zijn.' Is hij dat zelf ook? “Ik denk dat handelaren en veilingmensen me wel eens àl te vasthoudend vinden.” Ook kan hij wel instemmen met de theorie van zijn dochter dat verzamelen een vorm van compensatie is voor het onvermogen met mensen om te gaan. “Je schept een wereld om je heen van louter mooie dingen, door jouzelf geselecteerd. Een kenbare wereld, waarvan je elk detail met je ogen en handen hebt verkend. De collectie is het uiteindelijke document van mijn kennis.”

Is de verzamelaar gelukkig als hij al die dingen om zich heen ziet? Hij zucht. “Nu roept u de twijfels op die mij heus wel eens bekruipen. Waarom doe ik het? Loont het de moeite, de kosten, de risico's? Gelukkig maar dat het aantal gedrevenen zoals ik klein blijft! De beloning is een leven tussen en met deze fraaie dingen (en een aantal ontroerend lelijke) waaruit je inzichten put en hoopt door te geven. Maar daartoe moet de collectie geordend worden, gecatalogiseerd. Ik heb er een begin mee gemaakt, maar ik weet niet of ik tijd van leven heb om het af te maken. Dat zou me verdrieten, want ik ben niet meer dan een schakel in een reeks die begon bij de handwerksman. Een collectioneur heeft de verplichting om zijn verzameling open te stellen, zodat de kennis wordt overgedragen en vermeerderd.”