Alleen maar hard en helder ijs; Een aanhanger van het fundamenteel functionalisme

Het modernisme was een overtuiging, een geloof, een levensinstelling die geestelijk en fysiek de mens geheel kon onderwerpen. Wie er het slachtoffer van was geworden leefde in een lege, hoekige wereld, waar alles wat naar aankleding zweemde uit den boze was. Aankleding leidde immers tot gezelligheid en 'voor gezelligheid had zijn aandoening hem allergisch gemaakt'.

Nu in de architectuur aan alle stijlen amnestie is verleend, het schuldig classicisme van Albert Speer inbegrepen, is er een beweging op gang gekomen die het ontwerp aan alle stijl wil doen ontsnappen. De goedkoopste methode om onder stijl uit te komen, is de taal verantwoordelijk maken en de kwestie van de onbenoembaarheid stellen, zoals ook wel gebeurde aan het einde van de negentiende eeuw. In die tijd leefden we in een weelderig stijlen-warenhuis - met de klassieke oudheid als onuitputtelijke basisbouwdoos - waarin de architecten naar hartelust rondgraaiden. Zij ontwierpen gebouwen die over het algemeen lelijk werden gevonden en, vaak pas achteraf, gammele omschrijvingen kregen opgespeld als neo-Hollandse Renaissance, Vlaams classicisme of Waterstaatsgotiek. Daarnaast bleef de stijl van veel scheppingen betwistbaar of ronduit zoek. In het boek dat alleen al door de titel geschiedenis heeft gemaakt, De stad als kunstwerk, schrijft Donald Olsen: “Dat negentiende-eeuwse architectuur niet in de smaak viel bij tijdgenoten noch bij hun kleinkinderen, daarover hoeven we niet in te zitten: de meeste vroegere stijlcategorieën, te beginnen met 'gotiek' waren aanvankelijk scheldwoorden geweest. Het vervelende van de negentiende-eeuwse architectuur is dat haar vrienden noch vijanden het eens kunnen worden over een benaming voor het voorwerp van hun verdediging of aanval.” Zo bleef de architectuur van deze 'voorwerpen' ontbloot van stijl en ging men gemakzuchtig spreken over de stijlloze negentiende-eeuwse architectuur.

Honderd jaar later bevinden we ons in een tijdperk met een nog gebrekkiger stijldefiniëring. Dat komt omdat het warenhuis is uitgebreid met een enorme afdeling originele stijlen van de twintigste eeuw, waarvan het modernisme - een samenvattende gelegenheidsterm voor het functionalisme en de internationale avantgarde architectuur tussen de twee wereldoorlogen - de meest ingrijpende is.

Het modernisme een stijl noemen, is het modernisme tekort doen. Het was een overtuiging, een geloof, een levensinstelling die geestelijk en fysiek de mens geheel kon onderwerpen. Persoonlijk heb ik het aan den hoofde, zowel als aan den lijve ondervonden. Jarenlang, misschien wel de mooiste jaren van mijn leven, heb ik mij met huid en haar, en met huis en haard aan het fundamenteel modernisme uitgeleverd. Gedurende deze levensfase was ik zodanig in een gedepersonifieerde conditie geraakt en er zo allerbelabberdst aan toe, dat ik aan mijzelf in die tijd alleen in de derde persoon kan terugdenken.

Rechte lijn

Hij was volkomen a-sentimenteel geworden. Hij kon geen kleur verdragen, want kleur roept stemming op en - nog erger - kan een aangename herinnering doen ontvlammen. Zijn directe omgeving had hij in een letterlijk kleurloze staat gebracht. De vloeren waren zwart, de wanden wit, of omgekeerd om de noodzakelijke anonimiteit in de grafische orde te waarborgen. In zijn woonmachine viel geen deurlijst, raamkozijn of vloerplint te bekennen. Men zocht tevergeefs naar het eenvoudigste profiel, want een profiel is louter ornamenteel of maakt randen en hoeken zacht en dat kon zijn puristisch geweten onder geen beding toestaan. Zo kende hij maar één lijn, de rechte lijn, en maar één hoek, de hoek van negentig graden.

Enfin, met deze voorbeelden zal de lezer voldoende houvast hebben om de rest van de meedogenloze omgeving in te vullen, voor zover er nog iets in te vullen viel. Een enkel buismeubel, een glazen tafel, een wit servies, een roestvrij stalen aanrecht. Bloemen en planten waren de burgerlijkste vloeken in zijn functioneel - lees antiburgerlijk - imperium. Alleen al het aanzien, zelfs van een bos witte tulpen, deed hem met een grimas van pijn ineenkrimpen. Alles wat naar aankleding zweemde, draaide onherroepelijk uit op gezelligheid en voor gezelligheid had zijn aandoening hem allergisch gemaakt. De strekking van zijn geloofsartikelen ging nog verder dan die van het Bauhaus. 'Beginnen bij nul' (Walter Gropius), werd bij hem 'Blijven bij nul' en voor 'less' in 'less is more' (Mies van der Rohe) placht hij 'nothing' in te vullen.

Hij was een reddeloos verslaafd, rationeel 'geval', dat in plaats van heerlijke, zachte, smeltende emoties, van binnen alleen maar hard en helder ijs wilde toelaten. En hij vertrouwde erop dat het fundamenteel modernisme hem in de esthetisch stralende, zevende hemel zou brengen, in de buurt van Le Corbusier. Zelfs Goethe sterkte hem in het onvoorwaardelijk afwijzen van elk compromis. De motieven van dit niet bepaald rationele genie om te weigeren in de fauteuil - alleen het woord al - te gaan zitten die hij eindelijk op 82-jarige leeftijd had aangeschaft, parelden op zijn spiegelgladde ziel: “...alle vormen van comfort gaan eigenlijk geheel tegen mijn natuur in (-) Een omgeving met comfortabele, smaakvolle meubelen heft mijn denken op en brengt me in een behaaglijke passieve toestand... prachtige kamers en elegant huisraad zijn meer dingen voor mensen die geen gedachten hebben of ze niet mogen hebben.”

Regenboog

Hoe ben ik verlost geraakt van die kille, masochistische derde persoon, die veel weg had van een gedetineerde? Door de lessen van de geschiedenis, vooral van de Italiaanse Renaissance en door het brandscherm weg te halen dat ik - liever gezegd 'hij' - had opgetrokken rond de eigenlijk onweerstaanbare Franse impressionisten. Wat architectuur betreft verloor ik mijn ongereptheid aan het werk van Frank Lloyd Wright, Henry van de Velde, H.P. Berlage - vooral het Gemeentemuseum in Den Haag - en aan het, eveneens Haagse, BIM-gebouw van J.J.P. Oud. Later, als bevestiging van de ontsnapping die ik uit de gevangenis van het modernisme had gevonden, voegden zich daarbij de scheppingen van Aldo van Eyck - 'mijn lievelingskleur is de regenboog' - en vooral de bedachtzame, tijdloze stijl van Carlo Scarpa in Italië, wiens begraafplaats van de familie Brion bij Treviso tot op de dag van vandaag tot mijn vaste bedevaartsoorden behoort.

Van dit architectonische zestal is Oud eigenlijk de enige evidente bekeerling. Hij heeft zich omgewend van het geloof in de totale objectiviteit naar een subjectievere, milde vorm van modernisme waarbij op ornamentiek niet langer de doodstraf stond. In zijn omslag herken ik de mijne. De andere vijf bouwmeesters hebben een meer organische ontwikkeling doorgemaakt die het beste te beschrijven valt in termen van poëzie, muziek en beeldhouwkunst. Bij elkaar schuilt in de schoonheid van het oeuvre van deze zes kunstenaars de magische kracht die mij - in de gedaante van de derde persoon - heeft losgetrokken (of moet hier nou echt 'losgezongen' worden gezegd?) van de meest fundamentalistische stijl van de twintigste eeuw.

Op deze wijze ben ik van mijn verslaving afgeraakt, wat niet wil zeggen dat ik mij heb afgewend van de architectuur van de Bauhaus-goden, van Rietveld - ik blijf dol op het Utrechtse huisje van Truus en Gerrit - van de Hollandse sterren van het Nieuwe Bouwen en van Le Corbusier - zijn villa's blijf ik aanbidden. Het tegendeel is waar. Maar ik heb met de erfenis van het modernisme leren omgaan, zoals dat in Riagg-termen heet. De liefde is ontdaan van het hysterische, zelfvernietigende karakter en bedaard tot een - dat lees je ook vaak in moderne relatielectuur - diepgeworteld 'houden van'. En dat is een emotionele constructie die een stootje kan velen. Bloemen en planten staan er bij mij tegenwoordig welvarend bij, en zelfs een kleurentelevisie heeft een plaats gevonden tegenover een zwart leren, werkelijk heel comfortabele chaise-longue, naar ontwerp van Mies van der Rohe. Alleen lukt het me nog steeds niet om de open haard aan te steken zonder een verraderlijke huivering.

Het hoort bij het leven van een voormalig verslaafde dat hij regelmatig aan zijn catastrofale hebbelijkheid wordt herinnerd. De ons tegenwoordig alom omringende vormgeving getuigt van zoveel aanstellerij en visueel kabaal, dat het mij herhaaldelijk overkomt. Dan grijpt het verlangen naar karigheid, naar eenvoud, naar bijna niets mij naar de keel. Het zijn aanvallen die in de buurt komen van het verlangen naar geen stijl.

Designterreur

Vorig jaar verzon de wereldberoemdste architect van Nederland, Rem Koolhaas, een prijsvraag. In een vermaard Japans architectuurtijdschrift dat ook in de Engelse taal verschijnt, riep hij op tot het ontwerpen van een huis zonder stijl. Of, misschien kinderachtiger klinkend, maar wel juister gezegd: een huis met geen stijl. Inhoud en vorm moesten zó origineel zijn, zo volslagen nieuw dat ze in geen enkel opzicht aansloten bij inhoud en vorm die we ons bij een huis voorstellen. Een 'ontwerpervrije' vorm die toch een woning moest zijn. Na het einde van de geschiedenis was het einde van de designterreur onvermijdelijk geworden.

Er kwamen ruim zevenhonderd inzendingen binnen, maar een huis met geen stijl was er niet bij. De luchtfietserij die de inzenders hadden ondernomen om aan stijl, aan herkenbare beelden te ontkomen, was adembenemend om te zien. De meest roekeloze acrobaten eindigden in de meest onbegrijpelijke en onbewoonbare abstracties. Toch was er een winnaar. De eerste prijs ging naar Yosuke Fujiki die een ontwerp had gemaakt voor een computerprogramma dat een rechthoekige plattegrond in onbeperkte variatie kan inrichten met een reeks schematisch weergegegeven interieur-elementen. Het huis met geen stijl, is een huis met eindeloos veel stijlen - dus géén - zo moet zijn gedachte zijn geweest. Daarmee sloot Yosuke Fujiki aan bij de voorwaarden van anonimiteit en a-sentimentaliteit die mij in het modernisme zo hadden aangegrepen.

Naast onbenoembaarheid en onbeperkte schematisering bestaat er voor de architectuur nog een derde mogelijkheid om aan stijl te ontkomen: onderduiken bij de filosofie. Geen hond die zo'n diepzinnige manoeuvre, het wegkruipen in het keukenkastje van de wijsbegeerte, als niet respectabel of als het ontwijken van je eigen verantwoordelijkheid waagt uit te leggen. Toen na het ideologisch tijdperk ook de moeder der kunsten verweesd was achtergebleven, zocht zij dus als een haas beschutting onder de mantel van de postmoderne denksport, waar het al krioelde van onze gefragmenteerde samenleving. Het vrolijke scherven-tafereel werkte aanstekelijk en zo kon het gebeuren dat, op last van de filosofie, nu ineens alles schots en scheef staat in de architectuur.

Voor een voormalig verslaafde aan de rechte lijn in combinatie met de hoek van negentig graden is deze gang van zaken een regelrechte kwelling. Hij is gewend om de stoelen en tafels, de telefoontoestellen en boekenstapels weer onberispelijk recht te zetten als bij hem thuis de werkster is geweest. Maar de uitdaging om dezelfde herstelwerkzaamheden te gaan uitoefenen op de schaal van volwassen bouwwerken, is vragen om moeilijkheden. Laat ons nooit meer lichtvaardig oordelen over de schuldkwestie, als het om verslaving gaat.