Zwarte stamvoet

De padvinder die in de vrije natuur zijn oriëntatie verliest kan het noorden terugvinden door op de begroeiing van boomschors te letten. Mos groeit altijd op de noordkant van de bomen, schrijft Baden Powell in 'Verkennen voor jongens' (1908), kennelijk steunend op een oudere waarneming. Mevrouw Beecher Stowe wees in 'De negerhut van oom Tom' (1852) al op dezelfde wetmatigheid.

De Nederlandse verkenner kwam niet ver met de wijsheden van Baden Powell: in Nederland groeit nauwelijks mos op de bomen. Alleen waar een stamvoet wat breed uitloopt wil wel eens een kussentje omhoog kruipen. Wat er verder aan macroscopisch planteleven op de boom voorkomt bestaat uit korstmossen: grijsgroene vormsels met een wierachtig of draderig voorkomen waarin algen en schimmels in een nauwe symbiose leven.

Korstmossen groeien in Nederland vooral op de zuidwestkant van bomen, zegt bioloog H.F. van Dobben van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen. De zuidwestkant van de de Nederlandse boom is zijn vochtigste kant, niet alleen omdat er de natte zuidwester tegenaan slaat maar ook omdat de boom door de overheersende windrichting een beetje naar het noordoosten overhelt. Bomen die door nabijheid van sloot of plas naar de verkeerde kant hellen hebben een chaotische korstmosbegroeiing en zijn voor de padvinder zonder waarde. Om nog maar te zwijgen van korstmossen die juist een voorkeur hebben voor de droge kant van de boom.

Het gaat vandaag niet om korstmossen. Het gaat om de derde plantaardige groep die op boomschors wordt aangetroffen: de algen. Luchtalgen, zoals ze in dit verband wel heten want de meeste algen zijn wateralgen. Luchtalgen vindt men op de boom als een heldergroene aanslag die vooral tot leven komt als het weer wat vochtiger is. De gangbare mening is dat deze boomalgen door de luchtverontreiniging steeds algemener worden, maar volgens de plantenoecoloog J. Simons van de Amsterdamse VU is dat nog steeds niet bewezen. Toch is de tijd dat boomalgen voornamelijk op de zuidwestkant van bomen groeiden, zoals Minnaert nog constateerde, allang voorbij. Boomalg zit rondom de stam.

Ook dat aspect blijft hier onbesproken. Waar het om gaat is dat de algenaanslag lang niet altijd tot aan de grond reikt. Vaak stopt hij abrupt op kniehoogte of een decimeter lager. Het Vondelpark biedt prachtige voorbeelden, maar ook in een dichte sparrenopstand in de Ardennen kan het verschijnsel overtuigend zijn. Alle geraadpleegde biologen kenden de waarneming maar moesten het in de verklaring vooral van de fantasie hebben.

Van Dobben in Wageningen kon voor de vuist weg wel drie agentia noemen die het ontstaan van de kale stamvoet kunnen verklaren: hondepis, strooizout en onkruidverdelgers. Het vernietigend effect van hondepies kent elke stadsbewoner van basaal doorgerotte lantaarpalen. Dat strooizout de vegetatie beinvloedt is uitputtend beschreven en dat nogal eens 'spuitschade' ontstaat door gebruik van herbiciden staat ook wel vast. De bomen in het Vondelpark staan ongetwijfeld bloot aan al deze effecten.

Maar die in de Ardennen niet. En toch is ook daar de kale stamvoet eerder regel dan uitzondering. Voor zover viel na te gaan heeft in Nederland alleen de groep van Simons aan de VU expliciete aandacht besteed aan de groeibehoeften van de binnenlandse boomalgen. De meeste daarvan behoren tot de groep Chlorococcen, het zijn onbeweeglijke groene bolletjes, al of niet in slijm ingebed, die zich voornamelijk door simpele delingen vermenigvuldigen. Bioloog W.F. Prud'homme van Reine van het Rijksherbarium meent dat ze volgens de laatste inzichten óók in losse symbiose met schimmels leven. In ieder geval bleken ze sterk vochtminnend en reageerden ze gunstig op extra voedingsstoffen, zeker als die stikstofhoudend waren. Een neutrale zuurgraad was optimaal voor de groei en omdat bomen sterk verschillen in de zuurgraad van hun boomschors verklaart dat waarom de ene boomstam zoveel groener is dan de ander. In het stamvoetraadsel helpt het de onderzoeker niet veel verder.

KNMI-meteoroloog Baltus Zwart, van huis uit bioloog en aangesproken over een mogelijke rol van het microklimaat daar in de diepte, passeert dagelijks bomen die groen zijn tot aan de grond en hoogstens een paar centimeter stam zonder alg hebben. Gemeenschappelijk kenmerk van deze bomen is dat ze tussen de tegels of in een dichte grasmat staan. Zwart heeft nog een intrigerende waarneming: het is hem opgevallen dat trottoirtegels onder bomen wèl met algen begroeid raken, maar losse grond niet of nauwelijks.

Zo verschuift de aandacht naar een mogelijke interactie tussen grond en stamvoet. Het is bioloog J.H.D. Wolf van het Amsterdamse Hugo de Vries-laboratorium die de verlossende uitdrukking introduceert: splash erosion. Boomstamonderzoek in de tropen leerde dat ook daar de samenstelling van de schorsbegroeiing op kniehoogte plotseling verandert. Moeten algen en andere plantaardige gasten hogerop in de waardboom het vooral hebben van de voedingstoffen die worden aangevoerd door de 'stem flow' (het regenwater dat langs de stam sijpelt), in de onderste decimeters komt de voeding vooral van de grond die tegen de boom opspat. Langs onverklaarde weg onderdrukt dat de algengroei.

Simons aan de VU wil het 'splash erosion' wel letterlijk nemen en ervan uitgaan dat opspattend zand steeds opnieuw de eerste vestigingsstadia van de algen wegslijt. Tussen gras en tegels komt dat natuurlijk minder voor. Anderzijds valt een direkte groeionderdrukking, door aanvoer van remstoffen uit de bodem of beïnvloeding van de zuurgraad, ook niet uit te sluiten. Er zijn genoeg natuurlijke groeiremmers in humus gevonden. Het aantrekkelijke van de splash-theorie is dat de splash door de boom zelf wordt opgewekt en dat ook daarin grote verschillen bestaan tussen bomen. De theorie staat een grote variatie toe.