Waarom ambieert iemand presidentschap van Servië?

BELGRADO, 23 DEC. Als er niet plotseling een wonder gebeurt - in het geheel niet onmogelijk in een land waar drie dagen na het houden van verkiezingen de uitslag nog altijd giswerk blijft - heeft de regerende partij van president Slobodan Milosevic zondag inderdaad geen meerderheid in het Servische parlement behaald. De vreugde onder oppositiekringen daarover, en de hoop dat het na een definitieve telling van de uitgebrachte stemmen ook waar zal blijken te zijn, komen onder andere tot uitdrukking door het feit dat de Servische oppositie, geheel tegen de gewoonte van de laatste jaren in, deze keer niet heeft verzocht de verkiezingen wegens bedrog ongeldig te verklaren.

Oppositieleider Vuk Draskovic, wiens coalitie DEPOS als tweede partij uit de strijd is gekomen, eist slechts nieuwe verkiezingen in twee van de negen districten waarin Servië electoraal werd verdeeld (en waarbinnen een stelsel van evenredige vertegenwoordiging geldt), Leskovac en Pristina. Dat verzoek houdt echter niet zozeer verband met veronderstelde onregelmatigheden, maar met het merkwaardige gegeven dat de Albanese meerderheid in deze streken al jarenlang de Servische verkiezingen boycot - men wil daar los van Servië - terwijl het aantal zetels in de districten gebaseerd is op het theoretische electoraat aldaar.

Het handjevol Serviërs dat in beide districten - die ongeveer samenvallen met de provincie Kosovo - wel ter stembus tijgt, is Milosevic en zijn SPS (Socialistische partij van Servië) zeer toegewijd. Pogingen van de Servische oppositie vorig jaar de Albanezen wél naar de stembus te krijgen, zijn faliekant mislukt, een situatie die dus zeer in het voordeel van de SPS werkt. Oppositieleider Draskovic noemt nu, in een verwijzing naar Pristina als hoofdstad van Kosovo, de SPS nu de 'Socialistische Pristina Partij'.

De uitslag die het republikeinse verkiezingscomité nu als de voorlopig-definitieve heeft gegeven, is gebaseerd op 98,5 procent van de stemmen - nog steeds zijn er kennelijk bureaus waar het tellen in Balkan-tempo voortduurt. Volgens de commissie moet bovendien in vier procent van de bureaus het tellen geheel worden overgedaan, wegens onregelmatigheden. Dat alles dus even daargelaten gaan er van de 250 zetels in het Servische parlement 123 naar Milosevic' SPS, 45 naar Draskovic' DEPOS, 39 naar de Servische Radicale Partij van de extreem-nationalist Vojislav Sesel, 29 naar de Democratische partij, zeven naar de Democratische Partij van Servië, vijf naar de Democratische Unie van Hongaren in de Vojvodina en twee naar de vertegenwoordigers van de weinige Albanezen in Kosovo die wel de Servische staat zijn toegedaan.

Zelfs als men in aanmerking neemt dat die twee Albanezen verkapte Milosevic-aanhangers zijn, dan nog komt Milosevic niet aan een absolute meerderheid in het Servische parlement. Dat was vorig jaar niet anders (zijn SPS steeg in vergelijking tot vorig jaar van 101 tot 123 zetels), maar toen had de Servische president de Radicalen van Sesel achter de hand, die hun 73 zetels toen grotendeels te danken hadden aan gerichte propaganda op Milosevic eigen staatstelevisie. Het was het verraad aan de president door tovenaarsleerling Sesel, die Milosevic wegens zijn diplomatie inzake de nationale belangen steeds feller ging kritiseren, dat de president ertoe bracht in oktober het Servische parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven - om zijn meerderheid te herstellen.

Dat is op het eerste gezicht dus niet gelukt, al lijkt niemand in de jonge Servische democratie - de eerste naoorlogse vrije verkiezingen hadden tenslotte pas in 1990 plaats - nu precies te weten wat er nu te doen staat. De president zelf hult zich in stilzwijgen, en zijn staatstelevisie besteedt veel minder aandacht aan de teleurstellende verkiezingsuitslagen, dan aan het diplomatieke optreden van Milosevic in Genève en Brussel dezer dagen, waar hij samen met zijn Kroatische collega Franjo Tudjman een vredesplan heeft gelanceerd waarbij de moslimpartij 33,33 procent van het totale grondgebied van Bosnië-Herzegovina krijgt toegewezen. Het is een poging de sancties tegen Servië (en Montenegro) opgeheven te krijgen - een poging die echter ernstig gehinderd wordt door het feit dat de moslim-partij er niet aan lijkt te willen en vastbesloten schijnt de oorlog in Bosnië-Herzegovina voort te zetten.

SPS-woordvoeders in Belgrado zeggen dezer dagen dat het in democratieën gebruikelijk is dat de grootste partij (zijzelf dus) een regering vormt, zelfs wanneer zij in de minderheid is. Aan oppositionele zijde heeft men de mondvol van een 'morele nederlaag' van de SPS, en de vorming van een oppositioneel kabinet, dat niet minder een kans zou maken op een voortbestaan via een gedoogrol van sommige partijen dan eentje van de SPS. Een probleem aan oppositiezijde is evenwel dat het hier een breed ideologisch spectrum van verschillende partijen betreft, van quasi-fascistisch tot goedwillend-democratisch. Servische politici munten verder uit door onderling geruzie en gekonkel. Er gaan dus nu al stemmen op om maar zo snel mogelijk weer Servische parlementsverkiezingen te houden.

Het is daarom alleszins denkbaar dat Milosevic en zijn SPS in de praktijk hun politieke macht zullen weten te behouden. Een unicum in Oost-Europa blijft daarmee voortbestaan: het enige land waar de communistische partij (want dat is de SPS namelijk onder een nieuwe naam) sinds de onttakeling van het communisme onafgebroken aan de macht is gebleven - al is die macht dan sinds de 195 zetels bij de eerste vrije verkiezingen in 1990 formeel wel behoorlijk geslonken.

Voor andere Oosteuropese landen, of ex-communisten is Servië echter nauwelijks een aanlokkelijk voorbeeld, want waarop die formele macht van de SPS nog betrekking heeft, anders dan op de controle over leger en politie, wordt hoe langer hoe onduidelijker. Een combinatie van oorlog, internationale sancties en het ontbreken van enige geleide economische hervorming brengt de bevolking van Servië dezer dagen definitief tot de bedelstaf, en volstrekt failliet en massale honger lijken niet lang op zich te zullen wachten. Er heeft, net als in andere Oosteuropese landen, een herverdeling van economische rijkdom plaats, maar dan onder de slechtst denkbare omstandigheden van absolute armoede.

De nieuwe rijken zijn bovendien over het algemeen regelrechte criminelen, die zeer wel varen bij de armoede en de internationale embargo's. En dat gebeurt in een land waar, in tegenstelling tot sommige andere Oosteuropese landen, wel degelijk een niet-criminele klasse van zelfstandige ondernemers bestond, en na de neergang van het communisme op grote schaal veelbelovende particuliere ondernemingen waren opgericht. Over het algemeen vertoont Servië het beeld van een maatschappij in ontbinding, waarbij iedereen met een beetje pit al in het buitenland een goed heenkomen heeft gezocht of dat probeert. Het lijkt zeer de vraag, waarom ook nog maar iemand de regering over zo'n land serieus ambiëren zou.