Van Binnen

“Mijn man is hier geboren en getogen. Ik kom zelf uit een dorp hier in de buurt in Overijssel en ben er in '69 bij ingetrouwd, ja zo noemen wij dat.

Vroeger als de zoons trouwden zat de hele familie samen onder één dak. Dat gaf veel leed, hoor. Wij hebben een gedeelte van het huis van Henks ouders afgescheiden en tot woonkeuken en kamer verbouwd. Moesten we wel toestemming voor hebben van de eigenaar, want dit is een pachtboerderij van Ten Cate. We mochten bijvoorbeeld niet die kleine ruiten met roeden vervangen met grote ramen uit één stuk, want dat zijn de typisch Twentse vensters. Nu vind ik ze zelf ook weer mooi. Later kregen we ook verwarming, dat is een uitkomst.

Bij ons trouwen heb ik deze meubels ingebracht. En een bruidskoe. Die wordt één of twee dagen voor de plechtigheid met een grote krans om naar het huis van de bruidegom gebracht, en onderweg komen alle buren kijken. Maar dat heb je nu bijna niet meer. Die tradities verdwijnen, hè, net als het Twentse Paasvuur. Alles staat hier in de kamer nu nog net zo als toen. Voor ons 25 jaar trouwen kregen we wel een nieuwe eethoek, die was toch wel versleten. Dat is de plattelands aard, hè, je dankt niet zo gauw wat af. Onze oudste dochter heeft ook die merklap voor ons gemaakt, met allemaal dingen erop van ons gezin en de boerderij: kippen, varkens, een koe die zowel roodbont is als zwart-wit. Op de merklap staat nog een hooiberg, maar die van ons is omgewaaid.

Hier in huis hadden Henks ouders op een gegeven moment meer ruimte met z'n tweeën dan wij met z'n zessen. We leefden eigenlijk te bekrompen. Totdat ze vijftien jaar geleden zeiden: neem jullie de voorkamer maar. Dat is zeg maar de zondagskamer, daar zitten we na de kerk met een kopje koffie en de visite, of met verjaardagen en straks met de Kerst. Dat heeft elke boerderij, een mooie kamer. Als je alles bewoont moet je ook alles schoonhouden, is het niet? Opa heeft nog altijd zijn eigen woongedeelte. Klokslag tien zit hij hier in de keuken om koffie te drinken, en tussen de middag eten we samen warm. 't Is een leven van regelmaat, dat komt natuurlijk ook doordat je voor levend vee moet zorgen.

Ook toen we verwarming kregen hebben we de kachel in de voorkamer laten staan. Die stook ik ook op als we daar gaan zitten, dan stook ik de kachel op, want die geeft zo'n behaaglijke warmte. Vroeger stond er twee gemakstoelen naast de haard en een grote ronde tafel met stoelen met biezen zittingen. De gele en zwarte plavuizen zijn origineel, maar verder wil je niet aldoor dat ouderwetse. Daarom hebben we in plaats van die tafel er een bankstel neergezet van klassiek eiken.

De twee grote kasten zijn familiestukken. De ene is opgelegd, dat wil zeggen fineer op eiken, de andere is massief notenhout, met een kaststel van Delfts blauw erop. De massieve is wel drie of vier geslachten oud. Ze staan op houten plateaus, anders raken ze bij het schrobben beschadigd. De ingebouwde kast met glazen deuren naast de schouw noemen we de spinde, of de broodkast. Daar bewaar ik de kopjes en schoteltjes. Deze gebruik ik gewoon, maar die op de plank daarboven, zoals deze van heel dun Chinees porcelein, zijn voor de pronk. Dat borduurwerk? Da's een kippefamilie, ook een familiestuk. Hebben de zusters van opa, Geertruida en Geeske, in 1903 gemaakt. Aan de andere kant van de spinde zit een raampje om vanuit de voorkamer een oogje op het vee te kunnen houden.

We hebben nog maar 27 koeien en 70 fokzeugen. Er is geen opvolging, want geen van onze vier dochters heeft zin om de boerderij over te nemen. We zitten dus op de rand van stoppen. Je bent er geen persoon naar van de ene dag op de andere plotseling niets te gaan zitten doen, maar het mag van ons allebei wel wat minder.''