Rotterdams Philharmonisch onder bezielende leiding van Haitink

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Bernard Haitink. Programma: A. Webern: Passacaglia; G. Mahler: Adagio uit symfonie nr 10; J. Brahms: Vierde symfonie. Gehoord: 22/12 De Doelen Rotterdam. Herhalingen: 23, 26/12 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz: 31/12 20.02 uur Vara Radio 4. TV-uitz.: 3/4 Ned. 3 (opname 26/12).

Na zijn twee recente programma's bij het Koninklijk Concertgebouworkest staat Bernard Haitink nu weer voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest tijdens een al bijna traditioneel eindejaars-optreden. Of dat volgend jaar ook weer het geval zal zijn staat nog niet helemaal vast, er worden voor Haitinks volgende Rotterdamse optreden ook andere data overwogen.

Het gisteren door Haitink in De Doelen gedirigeerde concert was het derde in een reeks van vijf prestigieuze jubileumconcerten, waarmee het Rotterdams Philharmonisch Orkest het 75-jarig bestaan viert. De twee herhalingen vinden plaats in het Amsterdamse Concertgebouw, waar ze met die andere akoestiek en in de altijd dieper gravende vervolg-uitvoeringen nog meer tot hun recht zullen komen. Zo profiteert de hoofdstad - en via radio- en tv-uitzendingen ook de rest van het land - fijn mee van het Rotterdamse feest, dat na een briljant Berliozconcert met Simon Rattle deze zomer en een tegenvallende uitvoering van de Achtste symfonie van Mahler onder James Conlon, nu weer extra glans kreeg met een prachtig geprogrammeerd en uitstekend gespeeld concert: in alle opzichten typisch Haitink.

Het aardige van de programmering van de Passacaglia (1908) van Webern, het Adagio uit de Tiende symfonie (1910) van Mahler en de Vierde symfonie (1885) van Brahms is dat er nog meer redenen zijn aan te voeren om deze stukken op één avond uit te voeren dan dat het allemaal mooie muziek is. De jonge Webern en de oude Brahms gebruiken beide strenge klassieke vormen uit de tijd van Bach op een hoogstpersoonlijke manier. Mahler nam daar in zijn laatste, deels onvoltooide Tiende veel meer afstand van.

Toch zijn de drie stukken te horen als elkaar steeds overtreffende trappen van monumentale dramatiek, zoals Bach die produceerde in zijn Chaconne uit de Tweede partita voor viool: een tocht naar de allerhoogste top. Bij Brahms wordt het effect deels bereikt door de muziek steeds intenser over elkaar heen te schuiven. Bij Webern ontstaat zo'n verdichting veel plotser, bijna zoals bij Bruckner haaks op het voorgaande. En Mahler toont in zijn eerste Adagio uit de Tiende twee hevige climaxen die - in het slotadagio - nog worden uitgebouwd tot een torenhoge ruïne van noten.

Die chaotische cluster, een van de uitdrukkingsmiddelen van de componisten uit de tweede helft van deze eeuw, bleef in het ongehoorde verschiet. Haitink houdt zich aan het officiële Mahler-oeuvre en dirigeert helaas niet de door Deryk Cooke geïnstrumenteerde versie van de Tiende symfonie, waarvoor Mahlerkenner prof. Reeser in het programmaboekje een hartstochtelijk pleidooi houdt.

Webern en Mahler klonken onder Haitinks bezielende leiding nu in elkaars verlengde: de Passacaglia met lyrische warmte in de strijkers en bleke klankkleuren in de blazers, het Adagio met nog pregnantere contrasten, na de heftige crisis uiteindelijk uitlopend op totale verzoening met leven en dood. Een memorabele Vierde van Brahms, door Haitink uit het hoofd gedirigeerd, bekroonde het langdurig en enthousiast begroete concert: helder en muzikantesk in beheerste tempi neergezet, met een bijzonder mooi weldadig Andante moderato en een slotdeel dat precies was wat Brahms wilde: Allegro energico e passionato.