Rechtseenheid

'DE RECHTSVERZORGING', zoals minister Hirsch Ballin (justitie) het graag noemt, heeft een fikse knauw gekregen door de nieuwe vreemdelingenwet waarmee de Eerste Kamer vanmorgen vroeg akkoord is gegaan. Deze nieuwe wet beoogt een vereenvoudiging van de procedures om de groeiende stroom asielzoekers te kunnen blijven verwerken. Over deze centrale doelstelling heeft eigenlijk nooit verschil van mening bestaan, maar des te meer over een onjuiste en overbodige consequentie die Hirsch Ballin daaraan heeft verbonden: afschaffing van iedere vorm van hoger beroep in asielzaken.

Het kabinet wil het laten bij een eenmalige behandeling door de rechtbank in Den Haag, die dan wel zal beschikken over de hand- en spandiensten van collega's in vier nevenzittingsplaatsen verspreid over het land. Het druist in tegen elementaire opvattingen over recht doen om beslissingen over de vrijheid van mensen uit te sluiten van toetsing door een hogere rechter. De zeer uitzonderlijke beroepsmogelijkheid van “cassatie in het belang der wet” die Hirsch Ballin als concessie aan de Tweede Kamer inlaste, is niet bedoeld voor dit soort gevallen.

De bewindsman heeft ook wel erkend dat het Nederlandse bestuursrecht hoger beroep als hoofdregel kent. Maar het is geen dwingend beginsel, zegt hij met een beroep op bepaalde gedingen op gebieden als onderwijs, de ruimtelijke ordening en de Kieswet. Dat hij dergelijke geschillen op één lijn stelt met asielzaken is het vergelijken van appels en peren. Veeleer zijn dit de voorbeelden die de regel bevestigen. Een inhoudelijk argument, als onderscheiden van de aantallen, om vreemdelingen uit te sluiten van hoger beroep heeft het kabinet nimmer gegeven.

DE AANTALLEN nopen juist tot een tweede instantie. De behandeling van tienduizenden zaken door tientallen onafhankelijke rechters verspreid over vijf rechtbanken brengt de rechtseenheid in gevaar. Dat is een belang dat uitgaat boven dat van de asielzoekers. Het antwoord van Hirsch Ballin van justitie is dit terug te brengen tot een kwestie van de “interne organisatie” van de Haagse rechtbank, die dan maar een centrale 'jurisprudentiekamer' moet vormen om de proefgevallen te behandelen. De tijdwinst van interne verwijzing vergeleken met hoger beroep is echter twijfelachtig. Voor hetzelfde geld kan maar beter geen inbreuk worden gemaakt op de hoofdregel.

De mogelijkheid van appel heeft een “procesaanzuigende werking”, houdt Hirsch Ballin vol. Ook dit is een schijnargument. De appelrechter kan de bevoegdheid krijgen kansloze zaken summier af te wijzen. Dat is in het geval van de Hoge Raad een effectieve methode gebleken. Afschaffing van het quasi-automatisme dat de verzoeker het eind van de procedure in Nederland mag afwachten, kan ook ontmoedigend werken. Het blijft onbegrijpelijk waarom Hirsch Ballin een centrale waarde van de onafhankelijke rechtspraak heeft opgeofferd aan een prestigestrijd - een ander woord is er niet voor. Zoiets maakt, zoals dat in het jargon van Postbus 51 (óók overheid) heet, “meer kapot dan je lief is”.