Ogen dicht

Wie zou, met een blinddoek om, op de tast de hand van zijn levensgezel of geliefde feilloos herkennen? Die hand moet niks doen, moet zich neutraal gedragen, en de concurrerende handen moeten ongeveer even groot zijn. Ik denk dat het veel mensen nog niet mee zou vallen. Misschien is het wel een geschikt spelletje voor de feestjes waarmee het jaar zich dezer dagen naar zijn einde sleept.

Of het moeilijker of makkelijker zou zijn om een borst, of nog iets intiemers, op de tast te herkennen dan een tamelijk openbaar lichaamsdeel als een hand weet ik niet. Veel hangt af van hoe lang je elkaar kent (hier hebben de ouderen onder ons een voorsprong) en hoe vertrouwelijk de lijfelijke omgang is (hier niet, of is het ageism om dat te zeggen?)

Als je kleine kinderen hebt, die je dag na dag oppakt, schoonveegt, vasthoudt en voedert, is het een wonderlijke ervaring om ineens een niet-eigen kind te hanteren. Dat voelt volkomen anders aan, zelfs als het formaat overeenstemt. Zachtheid, droogheid of vochtigheid, en iets dat misschien spierspanning heet doen je onmiddellijk voelen dat dit niet het eigen vlees en bloed is.

Het schijnt dat het nu oude jaar door velen is ervaren als het jaar van het Lichaam. Te oordelen naar het aantal afbeeldingen van lichamen in kranten en op affiches waarvan ik een beetje hoopte dat zij niet alleen mijn kinderen, maar ook mijn ouders niet onder ogen zouden komen, zit daar wel wat in. In een artikel in deze krant verklaart een kunstpriesteres: 'Het lichaam in al zijn directheid drukt ons op het hier en nu. En op de diep kervende vraag wie wij nu eigenlijk zijn, en waar we zijn.' Juist in dit tijdsgewricht schijnen kunstenaars met die vragen te worstelen. Zo zien we maar weer hoeveel leed er in de wereld is waarvan wij hoegenaamd niets vermoeden.

Het vreemde aan al die aandacht voor het lichaam is de puur visuele obsessie die eruit blijkt. Voor de trendy kunstenaars en fotografen - Erwin Olaf, een van de beste, is daar een voorbeeld van - lijdt het geen twijfel dat opwinding via de ogen tot stand komt. De erotiek staat centraal, maar het is een erotiek van beelden (in elke betekenis), niet van warmte, beweging of aaibaarheid. Nu is het voor een beeldend kunstenaar natuurlijk moeilijk om andere prikkels te bieden dan visuele. Maar je kunt ze wel suggereren. In de oudere schilderkunst is het overtuigend oproepen van hoe huid aanvoelt, of bont, zilver, fluweel, of het velletje van een druif, vaak heel belangrijk. En dan zwijgen we nog over de beeldhouwkunst. Ik heb mijn handen onder mijn oksels moeten klemmen om niet de 350 jaar oude bronzen jongen overal te aaien die nu, even over uit Stockholm, in het Rijksmuseum op de Dageraad-tentoonstelling te zien is.

Maar ook op plekken waar het overduidelijk wel om andere zintuigen gaat, zoals in restaurants of de opera, krijgt de visuele kant van de zaak aandacht buiten alle proporties. Decor en kostuums, om het bij de opera te houden, dringen de luisteraar associaties en interpretaties op voor hij tijd heeft om zelf iets te bedenken. Menig regisseur, en ook menig criticus, wekt de indruk zangers en orkest te beschouwen als het equivalent van de geluidsinstallatie in het moderne leven, iets om dreunend de stilte te verdrijven terwijl je met iets anders bezig bent.

Als iedereen eens verplicht werd, elke dag een half uur de ogen te sluiten: wat zou de beschaving daar een stuk op vooruitgaan. Blinddoek om, masker voor, of het beste nog, met blindheid geslagen. Allemaal tegelijk, als een autoloze zondag voor de ogen. Misschien kan het tussen de middag, of in het verloren half uurtje tussen kwart voor acht en kwart over acht 's avonds. En de muziek doen we ook uit.

Wat zou het leven op een allerverwarrendste manier tot stilstand komen. Motoren vallen uit, machines houden op met razen, licht doet er niets meer toe - en iedereen maar tasten naar zijn paraplu of zijn lief of iets om te eten. Sorry, zou je overal horen waar veel mensen zijn, sorry, o ben jij dat? Wie buiten loopt heeft pech gehad; het zal hem leren er rekening mee te houden. Aan de andere kant, stel je de trots voor van iemand die zonder zijn ogen te gebruiken door de halve stad lopend zijn eigen voordeur weet te bereiken.

Een half uur: niet te kort, niet te lang. De blinden zouden onze gidsen zijn. Zij zouden alles beter kunnen dan wij, tenminste de eerste tijd. Het is maar te hopen dat zij niet te veel ressentimenten hebben opgebouwd.

In Berlijn had je een tijd geleden onder in het museum voor moderne kunst een speciale blindenkelder, beter gezegd een afdeling waar aan de visueel gehandicapte medemens de gelegenheid werd geboden om door aanraking kennis te nemen van beeldhouwwerken. Door ze te betasten dus. Misschien is die kelder er nog. Een buitenkansje, dacht ik naief toen ik daarvan hoorde, want ik wil, hoe ziende ook, altijd graag aan beeldhouwwerken zitten. Zij lijken daar zo bij uitstek voor te zijn gemaakt.

Op de - natuurlijk uitgestorven - afdeling brandde wel licht, herinner ik mij. Er was duidelijk niet gerekend op loslopende blinden, alleen op begeleide. Er hingen ook verraderlijke slappe koordjes om de looppaden te markeren. Maar loslopende zienden bleken evenmin gewenst. Toen ik mij naar binnen waagde, kwam de bewaker die mijn naderen reeds wantrouwig had gadegeslagen in beweging. Dit mocht niet, ik was toch niet blind? Het was niet zozeer de vrees dat mijn handen de kleine stenen Brancusi waarop ik mij had geworpen onnodig zouden doen slijten, nee, het was meer een kwestie van eerbiedigheid. Voor de kunst of voor de blinden of, het waarschijnlijkste nog, voor de nobele intenties van de museumdirectie.

Over de praktische uitwerking van het ogenloze halfuurtje zouden we nog eens goed moeten praten. Maar ik weet wel waar ik zal zijn, als het eenmaal zover is.