Houphouët- Boigny en de vrijheidsstrijd

Aan Félix Houphouët-Boigny, de onlangs ontslapen president van Ivoorkust, en zijn partij, de Parti Démocratique de la Côte d'Ivoire (PDCI), bewaar ik goede herinneringen. Deze gaan terug tot het jaar 1986. In dat jaar vierde die partij haar veertigjarig bestaan en ter ere daarvan werd in Côte d'Ivoire een groot congres gehouden. Hiervoor waren, zoals de uitnodiging zei, niet alleen Hoogwaardigheidsbekleders uit vele landen uitgenodigd, maar ook Grote Getuigen van de Vrijheidsstrijd en Grote Historici uit drie continenten. Het viel, bij eliminatie, niet moeilijk te begrijpen dat ik tot die laatste categorie moest behoren. Het viel evenmin moeilijk deze kwalificatie, hoe vleiend ook, in het juiste perspectief te plaatsen.

De reden waarom ik tot dit even verheven als omvangrijke gezelschap was toegelaten, was een simpele. Sinds jaren werken wij nauw samen met een historisch instituut in Aix-en-Provence. Aan dat instituut studeren ook veel Afrikanen, in het bijzonder uit Ivoorkust. Een van die studenten, althans promovendi, was de vrouw van de Ivoriaanse minister (of was het de onderminister?) van onderwijs (of wetenschap of van de universiteiten, zoiets in ieder geval). Deze promovenda en enkele van haar collegae hadden ook enkele van onze gezamenlijke congressen bezocht. Er bestond dus een band Côte d'Ivoire-Aix-Leiden en via deze deelde ik in de Frans-Ivoriaanse vriendschap, die op dat moment in het bijzonder gestalte kreeg in de vorm van een welgevulde damestas met retour-tickets Parijs-Abidjan. Alle reden dus om deze uitnodiging te aanvaarden.

Zo verzamelden zich op 15 oktober 1986 rond middernacht op een der Parijse vliegvelden enkele Grote Historici, zij het voorshands slechts uit één continent, Europa, en vooral uit één land, Frankrijk. Het was in de tijd van de frequente bomaanslagen van Armeniërs (of Iraniërs, dat ben ik vergeten) en de politie bracht daarom iedere onbeheerd aangetroffen koffer tot ontploffing, wat een sinistere sfeer schiep. Korte tijd later werd dit geknal gelukkig vervangen door het veel opgewekter geluid van de openknallende flessen Laurent-Perrier Cuvée Grand Siècle. De eersteklas-cabine had zich inmiddels niet alleen gevuld met Grote Historici, maar ook met bekende journalisten en vertegenwoordigers van de vele Centres de Recherche et de Documentation betreffende Afrika en het Midden-Oosten waaraan Frankrijk zo rijk is en waarvan sommige minder onschuldig zijn dan ze lijken, omdat ze nauw zijn verbonden met de Franse inlichtingendiensten. Het was dus een geleerd, gemêleerd maar vooral een zeer vrolijk gezelschap dat zich op weg begaf naar Côte d'Ivoire.

In Abidjan rustten we een dagje uit in hotel Ivoire om te genieten van het grootste hotel-zwembad ter wereld en het uitzicht op de plaatselijke kunstijsbaan, waar de Ivorianen bij dertig graden (boven nul) oefenen, zoal niet voor de Elfstedentocht dan toch voor een sierlijk optreden op de patinoires van Parijs. Het congres zelf werd natuurlijk niet in Abidjan gehouden maar in Yamoussokro, de nieuwe hoofdstad die is aangelegd op de plaats waar ooit het geboortedorp van de president lag. Het is een hele afstand, maar gelukkig is er een zesbaans-autobaan die de oude en de nieuwe hoofdstad verbindt of zal verbinden, want toentertijd hield die autobaan nogal abrupt halverwege op om zich als secundaire verkeersweg voort te zetten. Dat is ook niet zo vreemd aangezien in Yamoussokro nog vrijwel niemand woont of althans toen woonde. Dat wil overigens niet zeggen dat er niets te zien is. Integendeel er is veel te zien. Zo vinden we er het Centre Médical Félix Houphouët-Boigny alsmede het Hôspital Félix Houphouët-Boigny. Ook is er het Centre Culturel Félix Houphouët-Boigny en het Centre Universitaire Félix Houphouët-Boigny. Dan zijn er het Théâtre Félix Houphouët-Boigny en het Palais des Sports Félix Houphouët-Boigny en niet te vergeten de Fondation pour la Paix Félix Houphouët-Boigny. En er is nog veel meer. Zo is er het presidentiële paleis van Félix Houphouët-Boigny met de vermaarde slotgracht met krokodillen die op gezette tijden enkele tientallen levende kippen krijgen toegeworpen, ongeveer zoals men tijdens de oorlog wel eens een paar aarzelende generaals ophangt 'pour encourager les autres'; niet de kippen in dit geval, maar de potentiële tegenstanders van de president.

Het congres vond, tot niemands verbazing, plaats in het Palais des Congrès Félix Houphouët-Boigny. Er waren vele gasten die veel nuttig werk deden. De hoogwaardigheidsbekleders bekleedden hoge waardigheden en de getuigen getuigden. Deze laatsten waren het interessantst. De Grands Témoins spraken zonder uitzondering vloeiend Frans. Ze prezen tevens unisono de Franse cultuur en samenleving. Houphouët zelf vertelde hoe hij in de jaren vijftig in New York in een hotel danste met de vrouw van een Franse minister, iets waar de racistische Amerikanen toen schande van spraken. Een interessante anekdote want wij zouden inderdaad bijna vergeten dat veertig jaar geleden niet Zuid-Afrika maar Noord-Amerika voortdurend in het nieuws was vanwege de discriminatie van de negerbevolking, zoals men toen nog zei. De Ivorianen prezen de Fransen ook vanwege de Franse revolutie, de mensenrechten, de prachtige taal en de schitterende cultuur. En iedereen omhelsde voortdurend iedereen, de vele dragers van het Légion d'Honneur vooral elkaar. Het was dus heel gezellig en heel vrolijk allemaal, maar op den duur kreeg het toch ook iets vreemds. Want hoe zat het nu eigenlijk met de Grote Strijd voor Vrijheid en Onafhankelijkheid? De Lange Mars naar de Revolutie begon enigszins te lijken op een ontspannen boswandeling.

Die indruk is niet helemaal onjuist, want de Fransen hebben de Westafrikanen bij hun streven naar onafhankelijkheid niet veel in de weg gelegd. Ze voerden eind jaren veertig weliswaar enige tijd een repressiepolitiek. Hierbij vielen enkele tientallen doden en gewonden. Zo'n drieduizend Ivorianen werden gevangen gezet, maar niet Houphouët zelf want die genoot onschendbaarheid als lid van het Franse parlement. De Fransen kwamen echter al snel van de dwalingen huns weegs terug. Generaal de Gaulle verleende in 1960 Côte d'Ivoire en enkele andere Franse kolonies in Afrika zonder problemen wat hij noemde 'internationale soevereiniteit'.

Met de grote onafhankelijkheidsstrijd viel het dus nogal mee, zoals ook met de nieuw verworven onafhankelijkheid zelf trouwens. De Fransen bouwden na 1960 hun invloed in Côte d'Ivoire eerder uit dan af. Tegenwoordig zijn er ruim drie keer zoveel Fransen in Côte d'Ivoire als in het jaar van de onafhankelijkheid. De Fransen deden in dit geval dus precies datgene waar zij de Engelsen zo vaak om benijdden. Toen de Engelsen zich in 1947 terugtrokken uit Brits-Indië waren de Fransen gefascineerd door de manier waarop zij dat deden: soepel, in goed overleg en zonder de banden voorgoed te verbreken. 'Engeland vertrekt, de Engelsen blijven', zo vatte Le Monde het samen. De Fransen keken hiernaar met verbazing en jaloezie. Maar zij konden er geen voorbeeld voor zichzelf in zien. Zij vonden de Engelse politiek onbegrijpelijk: pragmatisch, improviserend, zonder plan of lijn, kortom zeer oncartesiaans en dus zeer on-Frans.

In West-Afrika bleken ook zij echter heel goed in staat tot partir pour rester. In Abidjan liggen het presidentiële paleis en de residentie van de Franse ambassadeur broederlijk naast elkaar. Gezien de omvang en luister van beide residenties, zal men niet gauw denken aan twee huizen onder één kap. Een ander beeld dringt zich echter onweerstaanbaar op: dat van twee handen op één buik.