Hoop op referendum voor D66 verdampt

DEN HAAG, 23 DEC. Bijna vier jaar geleden is het inmiddels dat D66-fractievoorzitter Hans van Mierlo 'zijn' debat kreeg over staatkundige vernieuwing. De gekozen minister-president, het districtenstelsel, het referendum - onderwerpen waarmee D66 zich reeds bij de oprichting in 1966 profileerde ten opzichte van de 'oude' partijen maar die nimmer konden rekenen op een politieke meerderheid - het zou allemaal opnieuw worden besproken.

Sinds de instelling van de commissie-Deetman, begin 1990, zijn talloze stukken geproduceerd, maar naarmate de discussie vorderde werd duidelijk dat het wederom bij bescheiden aanbevelingen zou blijven. Geen gekozen premier, geen ander kiesstelsel, geen gekozen burgemeester. De nederlaag voor Van Mierlo leek compleet, ware het niet dat CDA-fractievoorzitter Brinkman twee weken geleden nog één strohalmpje voor hem uitstak: het fel begeerde referendum. Niet dat de aanstaande CDA-leider en kandidaat-premier er iets in zag, maar ach, als Van Mierlo hem ervan wist te overtuigen dat het toch een uitermate nuttig instrument was wilde Brinkman het niet direct afschieten.

De politieke betekenis van Brinkmans toeschietelijkheid was duidelijk. Mocht D66 volgend jaar bij de kabinetsformatie nodig zijn, dan zou het referendum een mooie worst kunnen zijn. Allereerst om D66 te laten toehappen, maar ook om de partij eventueel verder koest te houden. D66 had weinig keus. Nu de reeds ingediende moties in stemming brengen waarin om het referendum werd gevraagd zou in de huidige politieke constellatie zondermeer tot verwerping leiden. D66-leider Van Mierlo vroeg gisteren bij de stemming dan ook de moties die betrekking hadden op het referendum aan te houden, mits hij van CDA-fractievoorzitter Brinkman de garantie kreeg dat het onderwerp voor hem nog bespreekbaar was.

Maar zelfs die formulering bleek voor Brinkman te royaal. Voor alle duidelijkheid wilde hij nog wel eens een keer stellen geen behoefte te hebben aan een referendum zoals dat was voorgesteld in de moties van D66. Het verzoek van D66 vatte hij dan ook meer op als een uitstel noodzakelijk om het denkwerk binnen die partij voort te zetten en niet in het CDA. Zijn partijgenoot Mateman zei het nog robuuster tegen Van Mierlo: “Als er problemen zijn over het referendum liggen die bij uw fractie en niet bij de onze.” Stemming over het voorstel van Van Mierlo de moties aan te houden zorgde voor een verdeeld CDA. Brinkman gunde Van Mierlo zijn uitstel, maar Mateman niet. De CDA-fractie was zo gespleten en zorgde voor een zodanig onoverzichtelijke situatie dat Kamervoorzitter Deetman besloot tot hoofdelijke stemming. Voor Brinkman was dat hèt moment om zijn fractie alsnog op één lijn te krijgen, waardoor er een meerderheid voor het aanhouden van de motie over het referendum ontstond.

Waarom de CDA'er Mateman zo ineens van mening was veranderd, wilde GroenLinks-fractievoorzitter Lankhorst weten. Hij was niet van mening veranderd, zei Mateman. Na jaren discussie was het tijd voor duidelijkheid. Maar, zo voegde Mateman eraan toe, hij was ook lid van een fractie die gewend was rekening te houden met “minderheden in dit huis”. Vandaar zijn steun aan het verzoek van Van Mierlo de stemming over de referendum-moties aan te houden.

Ten slotte Van Mierlo zelf. Die had geconstateerd dat er “perspectief” op een referendum bestaat. Omdat hij geleerd had dat je nooit je eigen ruiten moet ingooien, wilde hij geen stemming over het referendum forceren. Na de verkiezingen, bij de kabinetsformatie zal blijken wat er van dat perspectief over is. En wat Van Mierlo's fel begeerde debat over staatkundige vernieuwing per saldo heeft opgeleverd: niets of bijna niets.