Holland houtland; De groei van een randverschijnsel

Holland houtland. Een geschiedenis van het Nederlandse bos. Door Jaap Buis. Prometheus, Amsterdam, 1993. 244 blz. Ongeïllustreerd. Prijs ƒ 34,90. ISBN 90 5333 200 6

Natuurlijke bossen bestaan niet meer in Nederland - al het bos is aangelegd. De geschiedenis van het Nederlandse bos is daarom een geschiedenis van menselijk ingrijpen. Maar het is ook de geschiedenis van een randverschijnsel, want bos werd na de Middeleeuwen schaars. Omstreeks 1900 was slechts 1 procent van de oppervlakte van Nederland bedekt met bos.

Na de eeuwwisseling werd op grote schaal begonnen met herbebossing. De stuifzanden op de Veluwe, ontstaan door overbeweiding van heide en schrale bossen, werden bedwongen met de aanplant van grove den (Pinus sylvestris), de enige boom die op kale zandgrond wil groeien. Het hout was bruikbaar in de mijnbouw. Ook heiden werden weer beplant om aan de vraag naar hout te voldoen, vooral voor de papierindustrie. Tegenwoordig is 7 procent van Nederland weer met bos bedekt. Het ligt in de bedoeling dat in het jaar 2020 15 procent van Nederland bebost is.

Waarover gaat Holland houtland. Een geschiedenis van het Nederlandse bos? Vooral over de eerste 1 procent, de periode voor 1900. Het is een geschiedkundige verhandeling over oorkonden, gebruiksrechten, landgebruik en adel. Boomsoorten, stuifmeelanalyses, boomziekten en plagen komen nauwelijks ter sprake. Holland houtland, ofschoon uitgegeven bij een literaire uitgever, is de bewerkte versie van het lijvige proefschrift Historia Forestris, waarop de bosbouwkundige Jaap Buis in 1985 in Wageningen promoveerde.

Toch zijn delen van het boek ook voor een breder publiek leesbaar. Het geschiedkundige deel wordt vooraf gegaan door een overzicht van de bostypen die we in Nederland aantreffen. Het is een gangbare indeling zoals die ook te vinden is in De geschiedenis van het Nederlandse bos (red. C.P. van Goor), een uitgave uit 1985 van het Kasteel Groeneveld te Baarn, waar een permanente tentoonstelling over het Nederlandse bos te vinden is.

Malebossen

Op de Veluwe vinden we nog steeds de Marke- en Malebossen, bossen die het gemeenschappelijk eigendom waren van dorpen, buurtschappen en erfgenamen. Het zijn oude bossen die nog stammen uit de Middeleeuwen. De paden zijn veelal grillig, naast veel nieuw naaldhout staan er nog oude beuken en eiken. De grond is bedekt met een karakteristieke bosflora, die hier van oudsher thuishoort. Voorbeelden zijn het Speulder- en Spielderbos, het Ughelse bos, het Elspeterbos en het Edese bos. Ze liggen op de betere zandgronden.

In tegenstelling tot in het buitenland heeft de Nederlandse adel een geringe invloed gehad op het bosbeheer. De landgoedbossen die in Nederland zijn aangelegd, komen eerder uit een andere hoek. De kooplieden uit de 17e en 18e eeuw die een buiten wilden hebben, stichtten langs de duinrand, in het Gooi, op de Utrechtse Heuvelrug en in de Gelderse Vallei landgoederen, waar rondomheen bos werd aangelegd. Voorbeelden zijn Het Loo, Beeckesteijn (bij Velsen), Twickel, Middachten, Schaep en Burgh bij 's Graveland (het hoofdkantoor van Natuurmonumenten) en het kasteel Groeneveld bij Baarn. Er is een variëteit aan boomsoorten met dominerend oude beuken en eiken. Er is meestal een goed ontwikkelde struiklaag aanwezig. Kenmerkend voor de oude landgoedbossen is de aanwezigheid van zogeheten stinzeplanten, planten die in Nederland geïmporteerd zijn, maar die zich op beschermde plaatsen hebben weten te handhaven. Stinzeplanten zijn ook te vinden bij oude boerderijen en kerkhoven.

Jonge landgoedbossen dateren van na 1800. Ze werden vaak aangelegd als vorm van investering. Ze liggen vooral op plaatsen die in de eerste helft van de 19e eeuw via de zojuist aangelegde straatwegen bereikbaar waren. Er liggen vrij veel lanen. Vaak zijn er in de omgeving van het landgoedshuis opvallend veel exoten, bomen die als tuinboom in de mode kwamen, uit de Verenigde Staten of het Verre Oosten. Voorbeelden zijn het landgoed Schovenhorst te Putten en Den Treek-Henschoten op de Utrechtse Heuvelrug. Buiten de omgeving van het huis werden de bossen perceelsgewijs aangelegd.

Heideontginningen

In diezelfde tijd werden ook heiden ontgonnen, dat wil zeggen met bos beplant. Het oorspronkelijke doel was eigenlijk de grond bruikbaar te maken voor de graanteelt, maar dit doel zou nooit bereikt worden. Deze oude heideontginningen werden veelal volgeplant met grove den in grote percelen, die weinig aantrekkelijk oogden. Een deel van de eerste generatie is in deze eeuw gekapt en vervangen door kleinschaliger beplantingen.

De jonge heideontginningen vonden na de eeuwwisseling plaats, met als hoogtepunt de jaren dertig, vooral in Drente, Brabant en Limburg. Deze bossen werden vooral aangelegd om te kunnen voorzien in mijnhout. De jonge heideontginningen werden vaak vooraf gegaan door zware grondbewerkingen, die achteraf niet zo gunstig uitpakten. De grootschalige aanplantingen van de eerste ontginningen werden vermeden. Naast grove den werden ook lariks, douglasspar, fijnspar en zilverspar gebruikt. Buis tekent hierbij aan dat het juist deze bossen zijn die de laatste tijd ten offer vielen aan woningbouw, campings met stacaravans en huisjesterreinen.

De stuifzanden in Nederland behoren tot de grootste bewegende zanden van Europa. Het zijn zeer schrale zanden ontstaan in de IJstijd, die naderhand met loofbos bedekt raakten. Door overmatige houtkap en beweiding door vee verdween het bos en kwam het zand in beweging. Hele dorpen verdwenen onder het zand, vooral op de Veluwe. Veel pogingen om de stuifzanden vast te leggen zijn mislukt - pas vanaf 1870 lukte het. Stuifzandbebossingen zijn te herkennen aan het golvende landschap. Er zijn meestal slingerende wegen aangelegd. Er staan uitsluitend dennen met hier en daar een berk. Op voedselrijke plaatsen kunnen andere boomsoorten staan. Voorbeelden zijn te vinden op de Veluwe, het Kootwijkerzand, en Hulsthorsterzand en het Otterlose zand, en op de Utrechtse heuvelrug, de Bornia onder Driebergen.

Duinbebossingen

Met hetzelfde oogmerk werden ook de zandverstuivingen van de duinen bebost. De duinen waren eveneens door onoordeelkundig gebruik aan het stuiven gegaan. De duinbebossingen vroegen om andere boomsoorten, omdat de grove den slecht tegen de zoute zeewind kan. Men plantte vooral Corsicaanse dennen. De eerste duinbebossingen mislukten. Pas vanaf de eeuwwisseling lukte het, onder meer door een betere plantmethode waarbij een turf in het plantgat werd gelegd om het water vast te houden. Schoorl, Terschelling en Schouwen zijn bekende voorbeelden. Vanaf 1960 werden de duinbebossingen gestaakt - de natuurbeschermingsinzichten begonnen de overhand te krijgen en naaldbossen vormen een vreemd element in de duinen.

Tenslotte zijn er de polderbebossingen van de nieuwe IJsselmeerpolders. Buis noemt niet de griendcultuur, zoals de grienden bij Rhoon en te Vianen, en de bossen bij de grote steden, zoals het Kralingse bos, het Amsterdamse bos, het Haagse bos, het Delftse hout, Spaarnwoude (nieuw bij Amsterdam) en het Bergse bos (bij Rotterdam).

Na dit overzicht wordt Holland houtland echt historisch. Een aaneenschakeling van oorkonden, rechten, schenkingen, legaten, markeboeken en ander historisch bronnenmateriaal maakt het merendeel van het boek onleesbaar.

Interessant is nog het hoofdstuk over de aanvoer van buitenlands hout. Nederland is waarschijnlijk de eerste handelsnatie die zijn schepen bouwde van buitenlands hout, de meeste handelsculturen waren ten gronde gegaan aan overkap, zodat er geen schepen meer gebouwd konden worden.

Het Nederlandse hout kwam vooral van de Oostzeelanden, maar een belangrijke aanvoer bleef altijd via de Rijn komen. Grote vlotten met hout, vooral afkomstig uit het Zwarte Woud, zakten de Rijn af. Na 1800 werd dit minder.

Kaal?

Hoe kwam Nederland zo kaal? Wie beseft dat in de tijd van de Romeinen Nederland in zijn geheel zwaar bebost was, moet dit een intrigerende vraag vinden. Buis geeft daar geen eenduidig antwoord op - zijn boek gaat over de delen van Nederland die wèl bebost zijn - maar door de hoofdstukken heem kan men wel wat gegevens vinden.

Voor de scheepsbouw is Nederland niet kaalgekapt, hout kon men goedkoper van elders betrekken. Ook is het bos niet als brandhout gekapt. Voor de grote steden was hout te duur, de aanvoerkosten waren te hoog. Men gaf de voorkeur aan turf, die in de onmiddellijke omgeving werd gewonnen, en later aan steenkool. Op het platteland werd wel hout gestookt, maar zelden op een schaal die tot ontbossing leidde.

Op de Veluwe moeten de vroeg-Middeleeuwse ijzersmelterijen een belangrijke rol gespeeld hebben, de zogenaamde Hamalandse smelterijen. Voor het smelten van ijzeroer, te vinden in kleine beekdalen, was een grote hoeveelheid houtskool nodig. En voor houtskool is weer veel meer hout nodig. Omstreeks het jaar 1000 is al heel wat van de Veluwe veranderd in stuifzanden.

Toch verklaart deze roofbouw maar een klein deel van het verdwijnen van het aaneengesloten bos dat Nederland vroeger was. Het merendeel van het bos is gewoon gekapt voor landbouwgrond om te voorzien in graan, zuivel en andere landbouwprodukten. Door de overschotten en de veranderende landbouwpolitiek in Europa zal de komende jaren het omgekeerde gebeuren.