Het laken

Ons huis in Sauerland had een ingebouwde grap. Als je de voordeur opendeed was het net of het regende. Je hoorde het zuiver gorgelen in de goot. Maar dat was het beekje in de tuin! En als je dan naar buiten stapte, onder de luifel van een overhangende verdieping vandaan - dan regende het toch.

In het onvermoeibaar golvende landschap werd een spel gespeeld met beddegoed. Alsof er over bergen, bomen, dalen steeds een laken werd gespreid, dat ook weer steeds werd weggerukt. Om beurten sneeuw en regen, alles wit en al dat witte weg. Alsof er iemand nijdig was omdat hij niet besluiten kon hoe hij het landschap hebben wou.

Het gevolg van deze besluiteloosheid was een onvoorstelbare hoeveelheid water. Het kolkte, gulpte, schuimde overal. Het spoot de bossen uit en wrong in alle mogelijke bochten door het weiland heen. Van hoog naar minder hoog.

Van smal naar minder smal. De beek beneden, bij de houtzagerij, heette al de Ruhr. En nog wat verder naar beneden overlast, records, sinds mensenheugenis niet zoiets meegemaakt.

Bij de houtzagerij was een bruggetje en ik moet bekennen, ik zag de Ruhr, de Rijn, een niet te stuiten stroom naar Nederland, de uiterwaarden blank, het vee in bootjes en een boerderij totaal omspoeld; daar heb ik op een avond heimelijk een armvol sneeuw ontijdig aan het water toevertrouwd. Het loste in het donker op en heeft zijn werk intussen wel gedaan.