Golfstaten: olieproduktie moet omlaag

Zes olielanden aan de Golf, waaronder 's werelds grootste olie-exporteur Saoedi-Arabië, willen hun produktie verhogen om de olieprijs op te krikken. Voorwaarde is wel dat ook de andere olieproducenten in de wereld ook een bijdrage aan de beperking leveren.

Dat is gisteren vastgelegd in een slotverklaring van de Samenwerkingsraad voor de Golf (GCC) die de afgelopen dagen in de Saoedische hoofdstad Riad vergaderde. De GCC-ministers van economische zaken en van oliezaken besloten dat de Omaanse olieminister Al-Shanfari binnenkort een rondreis maakt langs een aantal landen die net als Oman geen deel uitmaken van de organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) om ze te bewegen tot medewerking aan een produktiebeperking. Oman besloot onlangs zelf per 1 januari 5 tot 10 procent minder olie te zullen exporteren.

Gisteren ontstond op de internationale olie-termijnmarkten direct enig vertrouwen dat spoedig een produktiebeperking is te verwachten, waardoor de prijs iets aantrok. In Londen steeg de slotnotering voor de toonaangevende Noordzee-olie Brent met 26 dollarcent tot 13,47 dollar per vat (159 liter).

Lidstaten van de Samenwerkingsraad voor de Golf zijn Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Bahrein en Oman. De eerste vier zijn tevens lid van OPEC. Wellicht zal OPEC door het besluit van de Golfstaten op korte termijn gedwongen zijn zich opnieuw het gezamenlijk produktievolume van haar 12 lidstaten te beraden.

De olielanden zijn zeer bezorgd dat de prijs voor hun belangrijkste exportprodukt, ruwe olie, binnenkort verder zal kelderen als er geen maatregelen worden getroffen. Door het lage prijspeil hebben ze hun inkomsten het afgelopen halfjaar met een derde, ofwel tientallen miljarden dollars zien dalen. Sinds vorige maand is de gemiddelde olieprijs gedaald tot het laagste niveau van de afgelopen vijf jaar. De prijs is nu in reële termen (exclusief inflatie en valuta-invloeden) met 13,47 dollar per vat ongeveer gelijk aan het bedrag dat vóór de eerste oliecrisis van 1973 voor een vat betaald werd. De prijs die de olielanden zelf ontvangen ligt nog lager dan de wereldprijs, terwijl OPEC nog altijd een richtprijs van 21 dollar per vat hanteert. Het verschil is zeker 7 dollar per vat. De olievoorraden in de Westerse landen zijn groot en volgens het Internationaal Energie Agentschap in Parijs was het dagelijks aanbod van olie in het derde kwartaal van dit jaar ongeveer 1 miljoen vaten hoger dan de markt vroeg. Een van de oorzaken is dat de niet-OPEC landen die minister Shanfari nu gaat bezoeken, hun produktie aanzienlijk hebben opgevoerd. In het vierde kwartaal is de vraag nog onvoldoende aangetrokken om een balans te bereiken.