Een afgezaagd onderwerp

De kaalslag van het tropisch regenwoud moet stoppen, zeggen Westerse milieuactivisten en politici. Probeer eerst zelf maar eens een bos duurzaam in stand te houden, riposteren diplomaten uit de ontwikkelingslanden.

Weinig begrippen zijn in zo'n korte tijd populaire geworden en uitgehold als het begrip duurzaamheid. In de bosbouw kan geen houtvester meer zonder. Maar wat is een duurzaam beheerd bos?

In het Brundtland-rapport, een rapport dat tien jaar geleden aan de Verenigde Naties werd uitgebracht onder voorzitterschap van de Noorse premier mevrouw Brundtland, is duurzaam beheer een wijze van omgaan met de natuurlijke hulpbronnen zodanig dat latere generaties er ook nog gebruik van kunnen maken - er mag van het erfgoed op aarde niets verloren gaan.

In tegenstelling tot mijnbouw is dat bij bosbouw in principe mogelijk. Men kan bomen kappen en het bos tegelijkertijd grotendeels in stand houden. Maar er zijn grote verschillen mogelijk.

De grofste manier van kappen is kaalslag. Dat kan kleinschalig gebeuren, een hectare tegelijk, of grootschalig: vele vierkante kilometers - tot aan de horizon.

Grootschalige kaalslag vond tot voor kort plaats in Scandinavië en Canada en het gebeurt nog steeds in Rusland. Toch is deze praktijk niet altijd zo verwoestend als het lijkt. Boreale bossen, zoals de noordelijke bossen in Canada, Scandinavië en Rusland heten, bestaan vaak uit enkele soorten naaldbomen, het zijn natuurlijke monocultures. In deze bossen komen met cycli van 60 tot 80 jaar natuurlijke rampjaren voor, veroorzaakt door brand en insektenplagen. De bomen raken aan het einde van hun natuurlijke leeftijd verzwakt, er komen enkele jaren van insektenplagen en de bossen staan er in de zomer kurkdroog bij - een vlammetje kan een vuurzee veroorzaken van honderden vierkante kilometers.

Na de brand ziet het land er het eerste jaar ellendig uit - een troosteloos landschap van zwart geblakerde stammetjes. Maar na enkele jaren lopen de jonge zaailingen al weer uit. De meeste naaldbomen zijn goed aangepast aan brand, sommige soorten zijn er zelfs van afhankelijk - zonder de hitte van een brand kunnen sommige denne- en sparreappels zich niet openen en zullen er ook geen zaadjes vrijkomen.

Kenmerkend voor vuur-afhankelijke bostypen is dat de bomen allemaal van dezelfde jaarklasse zijn, precies hetzelfde dus als bossen die door mensen zijn aangeplant na een kaalslag. Met kaalslag enkele jaren voorafgaand aan de te verwachten 'natuurlijke bosbrand' kan men de natuurlijke cyclus dus simuleren. Het enige probleem waar de houtvesters zich voor gesteld zagen, is hoe te komen aan boomzaad. Dit wordt opgelost door geplukte denneappels in een hete droogtrommel rond te draaien, waardoor deze zich openen en het zaad vrijkomt.

Toch valt er wel iets tegen grootschalige kaalslag in te brengen. In de eerste plaats zal de houtvester de natuurlijke cyclus een paar jaar voor zijn - de cyclus wordt dus korter. Verder is kappen toch iets anders dan brand. Beide verschillen kunnen op den lange duur verschuivingen in de soortensamenstelling van de mossen, planten, insekten en eventueel ook hogere diersoorten teweeg brengen. Daarnaast blijkt dat houtvesters zich in de parktijk ook van allerlei onnatuurlijke hulpmiddelen bedienen. Insektenplagen die 'een paar jaar te vroeg' toeslaan, worden gestopt door met vliegtuigen insekticiden te spuiten. In Canada, waar deze praktijk op grote schaal plaatshad, zijn sinds kort de chemische insekticiden verboden, alleen het 'natuurlijke' BT is nog toegestaan, een insektendodend middel bereid uit een bacterie (Bacteriae thuringensis). Maar hierdoor wordt niet alleen het plaaginsekt onderdrukt (meestal de spruce budworm, een rups van de vlindersoort Choristoneura fumiferana), maar ook andere insekten, wat een verschuiving van de gehele insektenfauna betekent. Ook wordt er soms vanuit de lucht met herbiciden gewerkt om de ongewenste, natuurlijke opslag van loofhout te onderdrukken, voornamelijk Canadese trilpopulier en bramensoorten. Dergelijke praktijken kan men natuurlijk geen simulatie van een natuurlijke boscyclus meer noemen.

Maar het belangrijkste bezwaar tegen grootschalige kaalslag is dat deze techniek ook wordt toegepast buiten het areaal van vuur-afhankelijke boreale bossen. Hier is geen sprake meer van simulatie van natuurlijke cycli, maar gewoon gemakzuchtige rationalisatie van het kapsysteem. Dergelijke kaalslag zal op zijn minst een verschuiving van de soortensamenstelling teweeg brengen: alleen pioniersoorten keren terug. Het maakt niet uit of er aan heraanplant wordt gedaan, of dat men uitgaat van natuurlijke regeneratie - plant- en diersoorten die gebonden zijn aan oude bossen, zullen verdwijnen. Dit is bijvoorbeeld het geval in grote delen van Scandinavië, waar vele bossen al aan hun derde kapcyclus toe zijn. Veel bosplanten, korstmossen en mossen zijn al zeldzaam geworden. Ook sommige insekten en andere diersoorten laten zich steeds minder zien, zoals de wolf en de veelvraat.

Het antwoord daarop is kleinschalige kaalslag. Door steeds kleine stukjes bos te kappen krijgen soorten die afhankelijk zijn van ouder bos, de kans om zich te vestigen in de jonge opgroeiende aanplant. Ook worden hier en daar stukjes bos geheel intact gelaten om soorten die echt oud bos nodig hebben, terwille te zijn. Deze laatste soorten hebben dan wel een verminderd areaal tot hun beschikking, maar geheel verdwijnen zullen ze niet en aldus wordt voldaan aan de eisen van het Brundtlandrapport.

In Canada wordt deze praktijk in de centrale en oostelijke provincies ingevoerd, bijvoorbeeld in New Brunswick, Quebec en Ontario, iedere provincie heeft zijn eigen voorschriften, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. In sommige regio worden forest management plans opgesteld, waarbij de houtmaatschappijen, de plaatselijke bevolking, natuur- en jagersverenigingen en andere belangengroepen gezamelijk het kapplan uitwerken. Meestal worden speciale gebieden uitgezonderd van kap, zoals bossen nabij beekdalen (om te voorkomen dat het water door grondafspoeling ongeschikt wordt voor de visstand) en bossen die als winterschuilplaats dienen voor herten. Daarnaast wordt er steeds kleinschaliger gekapt, zijn er experimenten gaande met meergeneratie-bossen (eerst het loofhout kappen, later het naaldhout) en worden de contouren van het landschap gevolgd, zodat het landschap er niet als een dambord uitziet. Nabij recreatiegebieden wordt zeer kleinschalig gekapt.

In Zweden is dezelfde ontwikkeling al enige tijd aan de gang. Ook worden venige gebieden die indertijd voor de bosbouw ontwaterd waren, weer teruggegeven aan de natuur. Daarnaast worden oude stukjes natuurbos gespaard. Helaas komt dit in de praktijk vaak slechts neer op het niet kappen van wat oude, markante bomen, die kaal achtergelaten in een kapvlakte vaak alsnog het loodje leggen. Maar de goede wil is er sinds enige tijd.

Nog beter dan kleinschalige kaalslag is selectieve kap. Hierbij worden in het bos om de zoveel jaar enkele bomen geoogst, waarbij het bos als geheel zoveel mogelijk intact blijft. Dit is in vergelijking met kaalslag een tamelijk dure vorm van houtwinning. Maar ook aan deze vorm van bosbouw kleven nadelen.

In de eerste plaats zullen vooral de oude, zware stammen geoogst worden, waardoor het gevaar bestaat dat na enkele jaren deze oude bomen ondervertegenwoordigd raken in het bos. Ook zijn sommige houtsoorten om marktredenen meer in trek. Dit brengt een verschuiving teweeg in de soortensamenstelling.

Daarnaast hangt het er maar van af wat je selective cutting noemt. In sommige tropenbossen wordt dertig procent van de bomen gekapt, terwijl door het gerij met zware transportmachines en het kappen nog eens twintig procent van de bomen beschadigd wordt. Zo'n beschadigd bos heeft tientallen jaren nodig om te herstellen. De soortensamenstelling is voor eeuwen verstoord.

Loofbossen zijn in het algemeen meer geschikt voor selectieve kap dan naaldbossen. Dit komt omdat loofbossen altijd een gemengde samenstelling hebben en afwisselend licht- en schaduwminnende soorten bevatten. Bij het kappen kan men daarmee rekening houden.

Daarnaast is er ook een economische reden waarom loofbossen zich goed lenen voor selectieve kap. In tegenstelling tot naaldhout zijn stammen van de meeste loofhoutsoorten weinig uniform. Dit betekent dat in de zagerij goed opgelet moet worden hoe de planken uit de stam gezaagd worden. Dit kan het beste in kleinschalige zagerijtjes. In een bepaald gebied kan iedere zagerij zich dan specialiseren in een een andere soort. En ook als verschillende loofhoutsoorten door elkaar worden gezaagd, kan dat het beste in kleine zagerijen.

Kleine zagerijen zijn het beste af met lokaal hout, geoogst uit de onmiddellijke omgeving. Dus niet de manier waarop de grote naaldhoutindustrieën opereren, met grote zagerijen die hun hout vanuit een straal van honderden kilometers krijgen aangevoerd.

De oostkust van de Verenigde Staten bestaat vrijwel uitsluitend uit jong loofbos - de pioniers hebben de oude, gemengde bossen vrijwel volledig gekapt. Omstreeks de eeuwwisseling werden deze streken weer aan de bossen prijsgegeven - in het noorden omdat deze gronden niet concurrend waren met de nieuwe gronden uit de midwest, in het zuiden door het optreden van de cotton weevil, een insekt dat de katoenplantages ruïneerde.

Er zal binnenkort een grote hoeveelheid loofhout beschikbaar komen uit deze Oostamerikaanse bossen. Het beheer is redelijk duurzaam - dat is ook niet moeilijk met jonge bossen die voor het grootste deel uit pioniersoorten bestaan. Gelukkig is het bosbezit versnipperd en in handen van particulieren. Sommige bezitters verkopen de kaprechten gemakkelijk, maar andere geven hun bezit aan natuurstichtingen of proberen zelf hun bos als set aside in oud loofbos te transformeren. Hierdoor ontstaat een mozaiek van oude en jonge bossen.

In de noordelijkste staat New Hampshire, dat voornamelijk van toerisme leeft, wordt het kappen grotendeels afgestemd op de natuurbeleving van de stadsmens (cityfication van het bosbeheer). Want ook bij selectief kappen kan het er nogal rauw aan toe gaan. Dat wordt bereikt door routes uit te stippelen waarbij zo min mogelijk bomen beschadigd raken. Ook worden bumper trees aangewezen die bij het uitslepen de beschadigingen opvangen. De open plek in het bos waar van uit de gehele kapoperatie plaatsvindt (de clearing), wordt naderhand geheel geruimd en de stobbes verwijderd. Door het inzaaien van gras en onkruiden worden kunstmatige, maar lieflijke bosweiden geschapen, goed voor de herten en een aardigheidje voor de wandelaar.

Ook wordt waardeloos hout, dat anders in het bos zou achterblijven, versnipperd en afgevoerd naar speciale kleine elektriciteitscentrales. Er zijn nu een kleine twintig van deze kleine houtcentrales aan de Amerikaanse oostkust, die samen enkele procenten bijdragen aan de elektriciteitsproduktie van de staat.

Absoluut niet duurzaam is kaalslag op berghellingen of andere erosiegevoelige gronden. Dit is de belangrijkste reden waardoor de tropische regenwouden gevaar lopen. Na kap van het bos spoelt de grond weg en of er aan heraanplant wordt gedaan of niet: een bos komt er nooit meer. Soms is er helemaal geen plantegroei meer mogelijk.

Ook aan de westkust van Noord-Amerika heeft deze kaalslag op grote schaal plaatsgevonden: in de Amerikaanse staten Californië, Oregon, Washington en Alaska en de Canadese provincie British Columbia. Clinton heeft afgelopen zomer een einde gemaakt aan de grootschalige kaalslag van de nevelwouden aan de westkust. Er mag nog een klein deel van de staatsbossen worden gekapt, voor particuliere bossen gelden andere regelingen.

De nevelwouden aan de Amerikaanse oostkust vormen een zeer bijzondere bossoort met bomen tot vijfhonderd jaar oud van 60 tot 80 meter hoogte. Ze gelden als high density-bossen - per hectare staat een zeer grote hoeveelheid kubieke meter hout van zeer hoge kwaliteit en grote waarde. De houtondernemingen in deze streken zijn buitengewoon machtig en bepalen voor een groot deel de economie.

In het Canadese British Columbia is dit jaar een omstreden compromis bereikt, waarbij een deel van het nevelwoud als reservaat wordt beschermd en een ander deel onder bepaalde voorwaarden kaal mag worden geslagen. De voorwaarden houden in dat aan heraanplant moet worden gedaan, er geen ersosie mag optreden en binnen een bepaalde regio voldoende uitwijkmogelijkheden voor wild moet zijn.

In het mondiale debat over duurzaam bosbeheer wordt veelvuldig naar British Columbia gewezen. De Westerse wereld zal waarschijnlijk nog lang van de tropenland te horen krijgen dat zij zelf niet in staat zijn om aan duurzame bosbouw te doen. Heraanplant na kaalslag van eeuwenoude nevelbossen is nog steeds geen duurzame bosbouw. Foto's van totaal geërodeerde hellingen van waar drie jaar geleden een imponerend Noordamerikaans nevelwoud stond, zullen nog lang de discussie bepalen.