Echte inheemse bomen zijn nog maar met lampje te vinden

Rond het Geuldal bij Valkenburg en Houthem groeien ze nog. De steeliep en de wollige sneeuwbal, de rode kamperfoelie en de gele kornoelje. Inheemse bomen en struiken, die uit de rest van ons land vrijwel verdwenen zijn. Vooral in de achttiende eeuw moesten veel oorspronkelijke bossen plaats maken voor landbouwgrond en toen in de negentiende eeuw nieuwe bossen werden aangeplant kwamen daar meestal geen inheemse populaties aan te pas. Men gaf de voorkeur aan zaad van dezelfde boomsoorten afkomstig uit Zuid- en Oost-Europa omdat dat goedkoper was.

Drs. N.C.M. Maes bepleit in Boomblad meer bescherming voor de inheemse bomen en struiken. De oorspronkelijke rassen van grove den, appel en peer moeten op de Rode Lijst van bedreigde soorten.

Vanouds hadden veel inheemse bomen en struiken een economische functie, die echter in de loop der tijd verloren ging. De bast van linde en iep vormde de grondstof voor touw, loof en twijgen dienden als veevoer. Door de opkomst van vlas en hennep in de touwmakerij echter werd boombast overbodig, terwijl hooilanden het vee in de winter van veevoer gingen voorzien. Taxushout was gewild voor het maken van bogen, tot de struik door de uitvinding van het buskruit zijn nut verloor. Volgens Maes was het feit dat ze overbodig werden vaak een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van inheemse bomen en struiken.

Soms werden soorten verdrongen door nieuwkomers. Zo moest de zwarte populier in de negentiende en twintigse eeuw wijken voor de euramerikaanse populier met zijn snelle groei en rechte stammen. Ook de inheemse grove den verdween. Al vanaf de zestiende eeuw werd hij verdrongen door geïmporteerde herkomsten en mogelijk is hij nu zelfs uitgestorven.

In de moderne tijd verdwijnen met de houtwallen de laatste autochtone soorten uit het landschap als ze al niet met opzet worden uitgeroeid. Zo is de zuurbes in het verleden bestreden vanwege zijn rol als 'tussengastheer' voor zwarte graanroest en veel meidoorns zijn gekapt om besmetting van boomgaarden met bacterievuur tegen te gaan. Al met al ging veel inheems genetisch materiaal verloren.

Op dit moment wordt nagegaan wat de specifieke waarde van deze inheemse herkomsten is en hoe men ze kan beschermen. In het veld is niet een-twee-drie te zien of een soort inheems is en een strikt bewijs is niet te leveren. Hij moet in elk geval op een natuurlijke standplaats groeien, een plek die al voorkomt op topografische kaarten uit 1830-1850. Probleem is ook dat inheemse en uitheemse herkomsten onderling verbasteren, dat geldt bijvoorbeeld al eeuwen voor de beuk.

Het onderzoek naar de verspreiding van 75 soorten inheemse bomen en struiken levert een somber beeld op. 23 soorten (33 procent) blijken uiterst zeldzaam tot zeldzaam, zeven zijn zelfs bijna of helemaal verdwenen. Zo staan er van de gele kornoelje nog maar tien struiken, in Zuid-Limburg. In heel Nederland staan nog maar tien tot vijftien wilde appels. Wèl werd de wollige sneeuwbal (sinds 1906 niet meer gezien) herontdekt in een Limburgs hellingbos.

Sommige soorten, zoals de zwarte populier en het rode peperboompje zijn waarschijnlijk altijd zeldzaam geweest omdat ze hier aan de rand van hun verpsreidingsgebied zitten. Juist die zijn genetisch gezien bijzonder waardevol.

Daarom is het beschermen van de laatste autochtone soorten volgens Maes bittere noodzaak. Wetten ontbreken tot nog toe vrijwel geheel. Alleen de jeneverbes is wettelijk beschermd.