Dennen, sparren, vuren of grenen en andere taalproblemen

Over weinig namen bestaat zoveel verwarring als over namen van coniferen, de verzamelnaam voor alle naaldbomen (en dus meer dan de eeuwig-groene tuinafscheidingen als taxus, ceder en cypressen).

Halen we om te beginnen met de kerstboom nu een den of een spar in huis? Wie 'O, denneboom, o denneboom, wat zijn uw lichtjes wonderschoon' zingt, lijkt het gelijk aan zijn kant te hebben. De Pinus sylvestris is de grove den, onze meest aangeplante naaldboom. Het silvesterfeest is oudejaarsavond, genoemd naar de heilige Sylvester, die op 31 december geboren werd. Goede kans dat de heidense Germanen na de kerstening een deel van hun midwinterfeest meenamen, waardoor de kerstboom ontstond.

Een aardige theorie, maar wat de boomsoort betreft niet juist. Dennen (of pijnbomen) worden zelden als kerstboom gebruikt. Bovendien werden dennebomen nog niet aangeplant toen het gebruik van de kerstboom ontstond. Sylvestris betekent gewoon 'in het bos groeiend', een nietszeggend woord in dit verband (en nog verkeerd ook: de grove den kan als een van de weinige bomen, behalve in bosverband, ook op kale stuifzanden groeien, de 'vliegden'). Sylvicultuur is het deftige woord voor houtvesterij. Waarschijnlijk hebben we de denneboom uit ons kerstliedje te danken aan een voor de hand liggende vertaalfout. Met 'O Tannenbaum, O Tannenbaum, wass sind ...' wordt in het Duits wel een spar tot kerstboom verheven.

De meestverkochte kerstboom is een spar, de fijnspar (Picea abies), een van de meest algemene naaldbomen in Europa. Kerstbomen komen vrij als dunning van sparrebossen: de dichte aanplant van jonge boompjes wordt uitgedund om te voorkomen dat ze elkaar verstikken. Ook worden de toppen van grotere bomen als kerstboom verkocht. Tegenwoordig worden kerstbomen meestal gewoon als kerstbomen gekweekt - de hele aanplant wordt in een keer gekapt, van dunning is zelden sprake meer.

Een duurdere kerstboom is de sitkaspar (Picea sitchensis), die door zijn wat blauwige naalden in de handel vaak 'blauwspar' wordt genoemd. Andere dure kerstbomen zijn de toppen van de Abies grandis, de reuzenzilverspar en de Abies alba, de gewone zilverspar. Buiten wordt nog wel eens een douglasspar (Pseudotsuga menziesii) als kerstboom neergezet.

Het Engels kent drie eigen woorden voor de drie grote naaldboomgeslachten: pine voor Pinus, spruce voor Picea en fir voor Abies.

Het Nederlands kent maar twee woorden: den (of pijnboom) voor Pinus, en spar voor Picea. Het geslacht Abies met zo'n twintig soorten moet het doen met het woord 'zilverspar', een woord dat alleen botanische waarde heeft - houthandelaren en houtvesters gebruiken het niet. Het is lastig praten met een woord te weinig.

Nog lastiger is de situatie in het Duits. Pinus (den) wordt aangeduid met Kiefer en Föhre, Picea (spar) met Sparren en Tanne. Het geslacht Abies (zilverspar) heeft net als in het Nederlands geen echte eigen naam: Silbertanne of Weisse Tanne.

Maar hoe heet nu het hout van deze drie geslachten? In het Nederlands heet het hout van Pinus (den) 'grenenhout' of kortweg 'grenen'. Het is meestal enigszins roodachtig. In Europa is grenen het meest gebruikte hout. Picea (spar) levert vurenhout, kortweg 'vuren'. Dit hout is eerder wit. Het hout van Abies (zilverspar) wordt ook meestal vuren genoemd.

Woordenboeken geven over de benaming van hout geen uitsluitsel. De meeste Duitse vertaalwoordenboeken maken van Föhrenholz correct 'grenen' (een Föhre is immers een den), maar sommige vertalen het met het voor de hand liggende vurenhout. Het Engels is zo mogelijk nog lastiger omdat Amerikanen - de belangrijkste houtleveranciers - hun eigen benamingen hebben. Grenen heet fir, red deal en pine-wood.

Vuren kan in het Duits van alles zijn: Fichten, Tannen en Föhren. In het Engels is het weer simpel - vuren is geen fir maar deal.

Wat alles ten slotte even lastig als makkelijk maakt: niemand houdt zich aan deze namen. Iedere auteur van boeken over hout en bomen gebruikt zijn eigen woorden, zowel in het Engels, het Duits als in het Nederlands.

De Latijnse naam van de boom vormt het enige houvast. Bomenkenners gebruiken dan ook alleen het Latijn. Jammer is dat houthandelaren daar een broertje dood aan hebben.

Kerstbomen zijn geen dennebomen, maar fijn- of andere sparren

Over weinig namen bestaat zoveel verwarring als over namen van coniferen, de verzamelnaam voor alle naaldbomen (en dus meer dan de eeuwig-groene tuinafscheidingen als taxus, ceder en cypressen). Halen we om te beginnen met de kerstboom nu een den of een spar in huis? Wie 'O, denneboom, o denneboom, wat zijn uw lichtjes wonderschoon' zingt, lijkt het gelijk aan zijn kant te hebben. De Pinus sylvestris is de grove den, onze meest aangeplante naaldboom. Het silvesterfeest is oudejaarsavond, genoemd naar de heilige Sylvester, die op 31 december geboren werd. Goede kans dat de heidense Germanen na de kerstening een deel van hun midwinterfeest meenamen, waardoor de kerstboom ontstond.

Een aardige theorie, maar wat de boomsoort betreft niet juist. Dennen (of pijnbomen) worden zelden als kerstboom gebruikt. Bovendien werden dennebomen nog niet aangeplant toen het gebruik van de kerstboom ontstond. Sylvestris betekent gewoon 'in het bos groeiend', een nietszeggend woord in dit verband (en nog verkeerd ook: de grove den kan als een van de weinige bomen, behalve in bosverband, ook op kale stuifzanden groeien, de 'vliegden'). Sylvicultuur is het deftige woord voor houtvesterij. Waarschijnlijk hebben we de denneboom uit ons kerstliedje te danken aan een voor de hand liggende vertaalfout. Met 'O Tannenbaum, O Tannenbaum, wass sind ...' wordt in het Duits wel een spar tot kerstboom verheven.

De meestverkochte kerstboom is een spar, de fijnspar (Picea abies), een van de meest algemene naaldbomen in Europa. Kerstbomen komen vrij als dunning van sparrebossen: de dichte aanplant van jonge boompjes wordt uitgedund om te voorkomen dat ze elkaar verstikken. Ook worden de toppen van grotere bomen als kerstboom verkocht. Tegenwoordig worden kerstbomen meestal gewoon als kerstbomen gekweekt - de hele aanplant wordt in een keer gekapt, van dunning is zelden sprake meer.

Een duurdere kerstboom is de sitkaspar (Picea sitchensis), die door zijn wat blauwige naalden in de handel vaak 'blauwspar' wordt genoemd. Andere dure kerstbomen zijn de toppen van de Abies grandis, de reuzenzilverspar en de Abies alba, de gewone zilverspar. Buiten wordt nog wel eens een douglasspar (Pseudotsuga menziesii) als kerstboom neergezet.

Het Engels kent drie eigen woorden voor de drie grote naaldboomgeslachten: pine voor Pinus, spruce voor Picea en fir voor Abies.

Het Nederlands kent maar twee woorden: den (of pijnboom) voor Pinus, en spar voor Picea. Het geslacht Abies met zo'n twintig soorten moet het doen met het woord 'zilverspar', een woord dat alleen botanische waarde heeft - houthandelaren en houtvesters gebruiken het niet. Het is lastig praten met een woord te weinig.

Nog lastiger is de situatie in het Duits. Pinus (den) wordt aangeduid met Kiefer en Föhre, Picea (spar) met Sparren en Tanne. Het geslacht Abies (zilverspar) heeft net als in het Nederlands geen echte eigen naam: Silbertanne of Weisse Tanne.

Maar hoe heet nu het hout van deze drie geslachten? In het Nederlands heet het hout van Pinus (den) 'grenenhout' of kortweg 'grenen'. Het is meestal enigszins roodachtig. In Europa is grenen het meest gebruikte hout. Picea (spar) levert vurenhout, kortweg 'vuren'. Dit hout is eerder wit. Het hout van Abies (zilverspar) wordt ook meestal vuren genoemd.

Woordenboeken geven over de benaming van hout geen uitsluitsel. De meeste Duitse vertaalwoordenboeken maken van Föhrenholz correct 'grenen' (een Föhre is immers een den), maar sommige vertalen het met het voor de hand liggende vurenhout. Het Engels is zo mogelijk nog lastiger omdat Amerikanen - de belangrijkste houtleveranciers - hun eigen benamingen hebben. Grenen heet fir, red deal en pine-wood.

Vuren kan in het Duits van alles zijn: Fichten, Tannen en Föhren. In het Engels is het weer simpel - vuren is geen fir maar deal.

Wat alles ten slotte even lastig als makkelijk maakt: niemand houdt zich aan deze namen. Iedere auteur van boeken over hout en bomen gebruikt zijn eigen woorden, zowel in het Engels, het Duits als in het Nederlands.

De Latijnse naam van de boom vormt het enige houvast. Bomenkenners gebruiken dan ook alleen het Latijn. Jammer is dat houthandelaren daar een broertje dood aan hebben.