Conform Kaland

HET WAS SPANNEND, het ging langs het randje maar uiteindelijk stemden vannacht toch 52 senatoren voor de nieuwe vreemdelingenwet en vijftien tegen. Ook zonder Kaland kan de Eerste Kamer dwars liggen, mocht het kabinet ervaren. Alle registers moesten worden opengetrokken om de bezwaren van de PvdA-fractie weg te nemen. Dat daarbij het accent meer lag op politieke druk dan op inhoudelijke toezeggingen is evident.

De Kamerbrede kritiek van de senaat concentreerde zich op het ontbreken van een hoger beroep in de wet. Wat minister Hirsch Ballin na urenlang beraad te bieden had was de bereidheid ten principale zo spoedig mogelijk te zoeken naar enige vorm van hoger beroep. Betekent dit het concrete voornemen om passende vormen van hoger beroep te ontwikkelen en zonodig in te voeren? Nee, zo gaf de minister na lang aandringen van D66-senator Glastra van Loon toe. Naar de werkelijke waarde van de toezegging van Hirsch Ballin blijft het zodoende gissen. Verder toonde de minister de bereidheid de evaluatie van de wet “onbevooroordeeld” te zullen uitvoeren. Curieus, want dienen ministers niet altijd onbevooroordeeld te handelen?

Dergelijke taal geeft aan waar het vannacht werkelijk om ging. Niet om toezeggingen, maar om teksten waar een coalitiefractie mee kon leven. Het leidde tot een weinig verheffende slotronde van het debat. Nadat de minister en de PvdA-fractie zich inmiddels hadden gecommitteerd aan een mistige tekst, bleek elke verdere discussie voor de overige partijen onmogelijk.

HAD HET ANDERS gekund? Het is een vraag die samenhangt met de plaats en positie van de Eerste Kamer en zodoende nauwelijks origineel is. Aangezien de senaat het amendementsrecht ontbeert, blijft elk debat over een gevoelig onderwerp een slikken-of-stikken-karakter houden. De toezegging kan per definitie niet groot zijn, omdat dan de Tweede Kamer terecht in het geweer komt. Het alternatief is dat de zaak op de spits wordt gedreven. In dat geval kan het kabinet tegenover de halsstarrigheid van de Eerste Kamer het machtswoord uitspreken. Aan de senatoren vervolgens de keuze. Maar de hoogstwaarschijnlijke knieval die het gevolg is van die keuze komt eleganter over dan het omarmen van een vage toezegging die slechts vraagtekens oproept. Als de Eerste Kamer politiek wil bedrijven, dan ook tot het eind.